woensdag 22 augustus 2007

Stacey

Sommige landen (of sommige geesten) zijn te klein voor meisjes zoals zij.
Dus zoekt ze het groter.
The grand moments.
Poëzie in beeld.
(een beetje zoals zij)

http://thegrandmoments.blogspot.com/


(Stacey, blijf jij maar plan-de-mannen maken. Ik schaap mee.)

Home

We zijn weer thuis.
En ondertussen hebben we kennis gemaakt met de Belgische moesson;
Eten we teveel boterhammen met choco;
Is onze politiek nog altijd een Belgenklucht;
en lijken dus de Cambodjanen belange zo geschift niet meer.
Het is dus maar allemaal hoe je het bekijkt.
Dat vindt Buddha er ook van denk ik.
Meer foto's van Laos en Cambodja zijn terug te vinden onder 'pics' (made by Jaklien).

vrijdag 10 augustus 2007

Cambodja

Ondertussen zijn we al even in Cambodja beland, en dat is niet zonder horten of stoten geweest, in de meeste gevallen letterlijk, want zeggen dat de wegen er in Cambodja vreselijk aan toe zijn, is een understatement van jewelste.
Maar goed, voor we enkele dagen in Phnom Penh hebben rondgehangen, moesten we eerst dus nog van ons eilandje Don Det in Laos de grens overgeraken. Om niet op eigen houtje bussen, tuk-tuk-drivers en bootovertochten te moeten uitzoeken, sloten we ons aan bij enkele Amerikanen, Ieren en een Belgisch meisje die via een bureautje de oversteek georganiseerd hadden. Om 8u vertrokken we in een bootje die naam niet waardig terwijl een hevige moessonbui ons doorweekte en ons bootje letterlijk vol deed lopen. Daar zit je dan, in het midden van een –door al die regen- kolkende Mekong in een gammel bootje. En ik had meteen bewijs: Jess raakt ook zeeziek zonder op zee te zitten. Wistik veel dat die misselijkheid slechts een voorbode was voor de rest van de dag. Na het bootje, werden we met tienen in een auto voor vijf gepropt, tot aan het begin van de jungle, daar mochten we overstappen in de laadback van een truck om een tocht door de jungle aan te vatten. ”Vind jij niet dat dit een rare weg is om naar de douane en de grensovergang te gaan?, vroeg Jaklien en ik dacht ”wat weet ik daar nu van’, maar toen we uiteindelijk aan een hutje in the middle of nowhere toekwamen en louche tiepen dollars begonnen af te pingelen ’for service’begon het toch te dagen dat ons georganiseerd tripje niet echt koosjer was. Bleek dat de Amerikanen nog niet over een geldig visum beschikten (wij hadden dat in de hoofdstad geregeld) en dat we daarom een alternatieve grensovergang zouden maken. Eigenlijk waren we op stap met een bende mensensmokkelaars en mijn misselijkheid steeg een beetje evenredig met het aantal louche tiepen dat ons pad kruiste, de corruptie en de machteloosheid omdat je in the middle of nowhere zit en wel aangewezen bent op die tiepen om verder te geraken. Om 17h zaten we nog steeds net over de grens, terwijl we dan al lang in Phnom Penh, de hoofdstad, hadden moeten zitten. Ik werd een beetje euh ongeduldig, de Ieren kregen het ferm op hun heupen (I ll beat the shit out of them) en zetten het op een zuipen, Jaklien werd tot onderhandelingspersoon gebombardeerd omdat zij als enige aziatisch kalm bleef, en Amerikaanse non ’Misty’(what’s in a name) was mijn favoriet voor gevatte conversaties (don’t you think Jessie that maybe these people have to dit it this way to make a living?). Misty, in al haar mystieke naieviteit, zou me gedurende de nog lange dag en nacht wel vaker de slappe lach bezorgen, een afwijking waar ik wel vaker aan lijd als ik me een beetje heel erg gestresseerd voel. Dat had natuurlijk ook te maken met het feit dat ik de nacht ervoor niet geslapen had. Die nacht op Don Det sliepen we namelijk in een hutje op een ponton boven de Mekong, en door de halve zondvloed die ’s nachts plaatsvond en het feit dat enkele honden voor onze deur een robbertje aan het vechten waren met enkele ratten, zorgen ervoor dat ik klaarwakker lag en maar geen antwoord vond op de vraag: ”what the fuck am I doing here”. Ratten hebben wel vaker dat effect op mij. Ik had dus weinig geslapen en werd om het half uur in een ander vervoermiddel gestoken met chauffeurs die het fijn vonden om heel erg snel en gek op modderpaadjes met metersdiepe kuilen te rijden. Toen we de eerste keer uit de bocht gingen, ben ik tegen God beginnen spreken. Toen we in het volgende buske met gebroken voorruit, zonder deur en met de motor binnenin die snikheet was en je dus beter je benen buiten hing, platte band kregen heb ik God beloofd nooit meer te sakkeren op kerken en godsdienst. Nadat we bijna door een truck geramd werden, kon ik even niets meer bedenken om aan God te beloven omdat ik stijf stond van de schrik (Jaklien en Mysti lagen rustig te slapen en hadden niets door), maar toen viel onze chauffeur ook in slaap en ben ik gewoon maar tegen God beginnen roepen om zo ook de chauffeur wakker te houden. Ik heb in mijn leven al een paar keer heel erg schrik gehad, en die dag in Cambodja staat met stip in de top drie, dus nu ja, mijn eerste gevoel over Cambodja was euh niet echt ’hartelijk’.
Maar in Phnom Penh hadden we een buddy wonen, Athit, een Cambodjaan die ik via het werk onlangs heb ontmoet. Toen hij een uurtje nadat ik gebeld had in de bar van onze guesthouse stond en ‘Hi Jessie, what’s up?’zei, leek Cambodja plots een heel stuk leuker. Voor Athit heb ik een grote boon, en die is er alleen maar groter op geworden nadat we met hem mee op schok zijn gegaan. We zijn ook een dagje zoals het echte vakbonders betaamt mee op stap geweest naar vakbondsvrouwen die in een kledingfabriek werken die produceert voor GAP. Als enige ‘fallangs (blanken)’in een no-tourist-zone, en gastvrij bij mensen thuis ontvangen worden, vinden we toch altijd bijzonder. Uiteindelijk moet ik mijn mening herzien. Cambodjanen zijn bijzonder, in de zin van 'anders''. Een heel complex land waar nog geen twintig jaar geleden een van de grootste genocides van de vorige eeuw heeft plaatsgevonden. Die Pol Pot schaduw hangt nog over het land, en de hele Khmergeschiedenis maakt dat Cambodjanen, lijkt me, echt anders in het leven staan. Een beetje geschift, toch wel, en dat is al bij al wel fijn, alleen niet in het verkeer...
Maar ook de bustrip naar Seam Riep hebben we overleefd, dus ik moet niet mekkeren, ik heb God al even bedankt, het komt nog helemaal goed met mij.
Dit weekend gaan we twee dagen Ankor Wat verkennen, en dan is het bijna terug richting Thailand, Bangkok. En eigenlijk, als ik eerlijk ben, vind ik dat best goed. Veel gezien, beleefd, mooi, interessant, anders, oprecht, verrijkend; maar ook gedacht en gevoeld: zin om naar huis te gaan, weer even te gaan koesteren wat ook daar is. Ik blijf, blijkt toch alweer, op een of andere manier altijd een heimwee-vogel.

zaterdag 4 augustus 2007

allemaal beestjes

Ik zag haar de berg afkomen en voelde het meteen: dit wordt liefde op het eerste zicht. Hoe ze traag maar zeker die berg afkwam, een beetje pretentieus eigenlijk. Maar met pretoogjes, dat zag je, en ook een looppas die verraadde dat ze in haar nopjes was. En daarmee was ik helemaal verkocht. Hoe heet ze? vroeg ik de man naast me. "Moon" antwoordde die, en dat leek me plots de mooiste naam ter wereld. Moon was zonder twijfel de mooiste olifant van allemaal, en ze was helemaal voor mij. Eens op Moon gezeten trokken we de jungle in, hier in het Zuiden van Laos, in een boerendorpje dat TadLo heet. Moon stonk een beetje, maar dat kon me niet echt deren. Ik allicht ook, het is hier immers bloedheet. Ze had ook verbazend veel stekelhaar op haar kop, maar ook daarin zag ik verwantschap (Hizzie-style), mijn haar steekt soms ook, zo gaat dat nu eenmaal. Het was fijn daar bij Moon in Tadlo. Aan couleur locale geen gebrek. Kindjes spelen hier petanque met hun teenslippers in plaats van petanqueballen, de zonsondergang kan je aan een watervalletje bekijken waarbij enkele oudjes in het water staan te vissen en aan het tempeltje wordt er vanalles geofferd voor goodluck. Maar er is een grens aan de hoeveelheid beestjes en rurale taferelen dat een mens kan hebben. Of dat ik kan hebben tenminste. Van die twee dagen rurale traagheid en rust, kreeg ik het de derde dag toch echt benauwd. Gelukkig kwam er op dag drie een bus die ons terug naar Pakse kon brengen, een stadje in het Zuiden van Laos. In de gammele bus zaten lokale boeren, vrouwen met duizenden kroppen mais en plastiek zakken vol vissen, en kinderen zonder broek aan die als ze moesten plassen even door de venstervrije raam werden gehouden. Maar ook toen bleven de beesten me achtervolgen. Er werd even gestopt aan de markt om hupsakee de bus verder te vullen met geiten. Die werden het dak opgetrokken (aan hun oren!!) waarbij die mormels van schrik natuurlijk een hels kabaal maakten en erop los kakten dat het geen naam had. De kleine geitjes werden in de kofferbak gestoken. Jaklien vond het allemaal geweldig en nam de ene foto na de andere. Ik kon alleen maar mijn ipod opzetten om dat geblaat niet meer te horen en denken: ik eet nooit meer salade geitenkaas.