Grensovergang. Stempeltje halen en hup, boot op, rivier over en Laos verwelkomt ons met een stortbui waarbij je elkaar nog amper hoort praten. Kantoortje van lao-douane binnen. Jakki krijgt keurig stempeltje, maar bibi niet. Ik mag terug naar Thailand, moederziel alleen, want wie keert nu terug naar Thailand? Dan toch juiste stempeltje gekregen in Thailand, weer bootje op en Laos binnen. Dan gaat het snel. We kunnen nog mee op de boot naar Luang Prabang, twee dagen in een houten bootje op de Mekong. We are very excited.
Leven op een boot op de Mekong is mooi. Op het water met een briesje in de haren, zon op je arm die buiten boord bungelt. Duizend soorten groen die de hellingen van al die kronkelende bergen vullen, en rond je geroezemoes van talen. Voor even weer opgaan in de backpackers world. Vooral wanneer ik enkele Aussies hoor die weer zo Aussie zijn, voel ik het tot in mijn kleine teen waarom ik zo graag deel uitmaak van het backpackers zijn. Jaklien leeft zich ondertussen ook uit in haar verwondering om eten (oh sticky rice, oh oreo’kes!! Oreo- de survivalkost, thank god for oreo!!), in haar praatjes met de locals, gewoon door in haar continent te zijn. Op de rivier zijn, vertraagt je gevoel, zegt ze. En daarme heeft ze weer eens alles samengevat.
Na twee dagen op een houten bankje gezeten te hebben, zijn mijn tenen zo ongeveer gevoelloos geworden van het stilzitten. En sinds mijn busplastrauma ben ik ook niet meer gaan plassen dus dat begon ook te dringen.
En dan daagt plots, midden in de jungle Luang Prabang op. Het lijkt wel een sprookjesstad.
Luang Prabang is omgeven door jungle en palmbomen, telt tientallen gouden tempels, buddhabeelden en overal zie je jonge monniken in oranje kleed, meisjes op fisherprice fietskes, is er gembergeur en lijken de kindjes zo uit een fotoboek geplukt te zijn. Laos straalt een zachtheid uit die we in Europa ergens blijken kwijt gespeeld te hebben. De Lao hebben voortdurend een glimlach in hun mondhoek klaar zitten. Het is hier mooi en peaceful. Ik sta een beetje te kijken van zoveel gemoedsrust, maar word er al gauw happy van. Of zitten daar de Lao pintjes voor iets tussen, die hier enkel per halve liter te verkrijgen zijn en erg naar vedett smaken?
30/1
Gisteren heb ik een Lao massage ondergaan. Voor ik kon ontspannen, bezorgde me dit evenement wel stress. Situaties waarin ik niet weet hoeveel, wanneer en hoe ik kleren moet uitdoen, maken me zenuwachtig. Daar zitten de PMS bezoekjes uit de lagere school voor iets tussen, en ook wel het eerste gynecoloogbezoek, maar dat zijn andere verhalen. Nu lag ik in Laos op een handdoekske en was de massagemadam zodanig onder de indruk van het litteken op mijn arm dat ik me volgens haar nooit nog zorgen moet maken: you have best good luck scarf of the world, me lucky to meet you !! ok dan.
Om 5u uit de veren voor een buddhaceremonie. Jakki is al aan de praat geraakt met een monnik, ik sta wat verder aan de kant, altijd bedeesder dan Jaklien in first contacts, grappig hoe patronen blijven, ook aan andere kant van de wereld. Ik blijf geintrigeerd door de Lao, zonder twijfel de mooiste mensen die ik al gezien heb. Hoe kan het toch dat iedereen hier lacht, niemand kabaal maakt en dat alle kindjes hier zo'n snoepi’s zijn dat je ze zo in je binnenzak zou steken.
Ik ben de eerste snelle Lao tegengekomen. En dat was onze buschauffeur, 12u lang van Luang Prabang naar Vientiane. Langs bergpaadjes met zo'n haarspeldbochten en snelheid dat ik hevig, werkelijk hevig naar de touristil verlangde die natuurlijk boven op het dak in mijn rugzak zat. De Franse madam die langs ons zat was duidelijk al eerder toe aan prozac, maar we haalden het zonder noemenswaardige accidenten. En dus zitten we nu in de hoofdstad, waar er zowaar auto’s zijn en we zelfs enkele gsm’s zien. De Franse koloniale invloed is hier goed zichtbaar. Je kan hier baguette eten. En ze hebben hier van die zalige koffiebars. Hoog tijd voor een espresso met een stukje tarte de pomme, lijkt me. Tot later guys. Liefs, J en J
maandag 30 juli 2007
26/7 Chiang Kong – Huai Xai, de grens over naar Laos.
Jakki had me weten plakken om met de bus te reizen. Bussen –zeker in Belgie- maken me een beetje zenuachtig, maar Jakki zei: Thai bussen zijn zoals in Chili. Aangezien ik altijd met een beetje weemoed terugdenk aan Chili, zag ik het wel zitten... de eerste volle tien minuten toch van onze 12u durende rit.
Ik had al de Peruviaanse newbeatvideoclips tonende bussen gehad, ik had al de Boliviaanse bussen waarin ze achtereenvolgens de paus en Osama Bin Laden in het Spaans dubten, en ik ademde nog na mijn eurolinesbussen waarin ik alle mogelijke versies van Rocky geserveerd kreeg. Maar dat is allemaal klein bier in vergelijking met Thais drama. Thais drama is hallucinant. Niemand spreekt. Iederen roept. Vrouwen dragen weerzinwekkend grote brillen. Het was een drama met crimi-elementen en dus moesten er uiteraard mensen in twee gezaagd worden, waarbij de helden ter redding kwamen met sumiworstelaarachtige gebaren. Ik verlangde hevig naar Sylvester Stallone, nooit gedacht dat het zover kon komen in mijn leven. Nee buddha had geen mercy met mij. Bovendien was ik een oordop kwijtgeraakt. Je vinger 5u lang in je linkeroor proppen is geen lachtertje.
En toen moest het ergste nog komen. Net toen ik eindelijk geinstalleerd was en me had overgegegeven aan het ritme van de bus- Jakki heeft gelijk dat je met de bus leuk het leven langs de weg kan gadeslaan- moet ik plassen. En net als ik die wc een positie heb gevonden om al zwevend toch stabiel te staan op een rijdende bus zonder mijn handen tegen die vieze muur te moeten zetten, gebeurt het. De bus remt bruusk, mijn wc-deur vliegt open en de achterste helft van de bus gaapt mij zwijgend –ik nog steeds in zwevende houding met mijn broek op mijn schoenen- aan. Snel denken: de deur vlug toetrekken maar dan moet ik met mijn broek aan mijn voeten twee meter vooruit stappenm of eens vriendelijk teruglachen en eerst mijn broek optrekken. Maar ik moet nog steeds dringend verder plassen. Gelukkig stapt op dat moment de andere buschauffeur net uit zijn slaapkot en slaat daarmee mijn wc-deur toe.
Busreizen zijn bijzonder vermoeiend voor mij. En toch. Als het weer licht wordt en we langs dorpjes rijden met palmbomen en tempeltjes terwijl de lucht oranje kleurt en de Thaise radio2 melancholische liedjes draait, ben ik happy onderweg te zijn.
Ik had al de Peruviaanse newbeatvideoclips tonende bussen gehad, ik had al de Boliviaanse bussen waarin ze achtereenvolgens de paus en Osama Bin Laden in het Spaans dubten, en ik ademde nog na mijn eurolinesbussen waarin ik alle mogelijke versies van Rocky geserveerd kreeg. Maar dat is allemaal klein bier in vergelijking met Thais drama. Thais drama is hallucinant. Niemand spreekt. Iederen roept. Vrouwen dragen weerzinwekkend grote brillen. Het was een drama met crimi-elementen en dus moesten er uiteraard mensen in twee gezaagd worden, waarbij de helden ter redding kwamen met sumiworstelaarachtige gebaren. Ik verlangde hevig naar Sylvester Stallone, nooit gedacht dat het zover kon komen in mijn leven. Nee buddha had geen mercy met mij. Bovendien was ik een oordop kwijtgeraakt. Je vinger 5u lang in je linkeroor proppen is geen lachtertje.
En toen moest het ergste nog komen. Net toen ik eindelijk geinstalleerd was en me had overgegegeven aan het ritme van de bus- Jakki heeft gelijk dat je met de bus leuk het leven langs de weg kan gadeslaan- moet ik plassen. En net als ik die wc een positie heb gevonden om al zwevend toch stabiel te staan op een rijdende bus zonder mijn handen tegen die vieze muur te moeten zetten, gebeurt het. De bus remt bruusk, mijn wc-deur vliegt open en de achterste helft van de bus gaapt mij zwijgend –ik nog steeds in zwevende houding met mijn broek op mijn schoenen- aan. Snel denken: de deur vlug toetrekken maar dan moet ik met mijn broek aan mijn voeten twee meter vooruit stappenm of eens vriendelijk teruglachen en eerst mijn broek optrekken. Maar ik moet nog steeds dringend verder plassen. Gelukkig stapt op dat moment de andere buschauffeur net uit zijn slaapkot en slaat daarmee mijn wc-deur toe.
Busreizen zijn bijzonder vermoeiend voor mij. En toch. Als het weer licht wordt en we langs dorpjes rijden met palmbomen en tempeltjes terwijl de lucht oranje kleurt en de Thaise radio2 melancholische liedjes draait, ben ik happy onderweg te zijn.
Brussel London Bangkok
We zijn er nog eens mee weg. Daar met z’n tweeen – met de vertrouwde rugzakken- in de luchthaven rondtsjaffelen doet ons even terugdenken aan de laatste keer dat we hier zo stonden. Toen kwamen we net terug, werden we opgewacht door een onverwacht grote meute, en zagen we thuis zijn wel zitten. Een dik jaar later kunnen we niet wachten weer weg te zijn. Reismicrobe is een aardig beestje.
Vlucht naar London vertraging. Vertraging loopt zodanig op dat aansluiting naar Bangkok halen spannend wordt. Net op tijd gearriveerd in London. Om dan te horen dat vlucht uitgesteld is tot morgen. Technisch defect. Nachtje London dus. De nationale Australische baseballploeg volgen, lijkt me een goed plan, maar zo belanden we op verkeerde bus, en dus verkeerd hotel. Na een nachtelijke wandeling in London belanden we in het juiste, extravagante Park Inn hotel. Jaklien piekt ongeveer alles wat losligt naar goede gewoonte mee (veel opgetrokken met Vera DW?)
Vlucht naar Bangkok. Qantas is good for you. Free bubbles, dus bibi happy. Jaklien kijkt thrillers, want daar wil ik thuis nooit mee naar kijken. Ik kijk drie keer na elkaar naar Love Actually. Dat is nu eenmaal een goeie film.
Aankomst in Bangkok. Azie ruikt meteen anders, voelt anders. Bangkok is heel druk. East meets West. Verspreis over de stad heel veel temples en Buddha’s, maar ook een kapitalisme dat erg op consumeren is gericht. Bangkok is big business. De Thai zijn heel vriendelijk, zodat je eigenlijk amper door hebt dat ze je proberen rippen, of zonder verpinken in je gezicht staan te liegen. Symptoom van massatoerisme lijkt me. Hadden de Cubanen ook last van.
Thailand lijkt me bloemetjes, wierookstokjes, koriandergeur en lekker eten. Beminnelijkheid, maar ook meer gepolijstheid dan de Zuid Amerikanen, en traagheid, in spreken, in stappen, in glimlachen.
Wat erg opvalt zijn de Thaise mannen. De slechts 5 heteromannen die we zijn tegengekomen zijn oud, taxicauffeur zonder tanden en kennen slechts 1 zin Engels Thai ladies vely beautiful. De rest zijn jongetjes die liever meisje willen zijn. Waarom ze die sport Thai boxen noemen, is me een raadsel. Kan onmogelijk over Thaise mannen gaan.
Wat nog opvalt, is dat de Thai amper Engels kunnen. Voor een land met zoveel toeristen, voelt het echt vreemd dat je niet echt een praatje kan slaan met de locals. Soms ook stresserend, wanneer je net met hand en tand hebt zitten uitleggen dat je naar de busterminal moet en na een uur rijden door de traffic jam van Bangkok plots de luchthaven voor je ziet opdoemen bijvoorbeeld... Toch in de busterminal geraakt, maar ook daar weer. How much for a busticket to Chiang Kong? Yes. When does the bus leave? Yes. Is there anyone who speaks English here? Yes. You? Yes. Are you ugly? Yes. Hopeloos dus. Toch op de bus geraakt!
Vlucht naar London vertraging. Vertraging loopt zodanig op dat aansluiting naar Bangkok halen spannend wordt. Net op tijd gearriveerd in London. Om dan te horen dat vlucht uitgesteld is tot morgen. Technisch defect. Nachtje London dus. De nationale Australische baseballploeg volgen, lijkt me een goed plan, maar zo belanden we op verkeerde bus, en dus verkeerd hotel. Na een nachtelijke wandeling in London belanden we in het juiste, extravagante Park Inn hotel. Jaklien piekt ongeveer alles wat losligt naar goede gewoonte mee (veel opgetrokken met Vera DW?)
Vlucht naar Bangkok. Qantas is good for you. Free bubbles, dus bibi happy. Jaklien kijkt thrillers, want daar wil ik thuis nooit mee naar kijken. Ik kijk drie keer na elkaar naar Love Actually. Dat is nu eenmaal een goeie film.
Aankomst in Bangkok. Azie ruikt meteen anders, voelt anders. Bangkok is heel druk. East meets West. Verspreis over de stad heel veel temples en Buddha’s, maar ook een kapitalisme dat erg op consumeren is gericht. Bangkok is big business. De Thai zijn heel vriendelijk, zodat je eigenlijk amper door hebt dat ze je proberen rippen, of zonder verpinken in je gezicht staan te liegen. Symptoom van massatoerisme lijkt me. Hadden de Cubanen ook last van.
Thailand lijkt me bloemetjes, wierookstokjes, koriandergeur en lekker eten. Beminnelijkheid, maar ook meer gepolijstheid dan de Zuid Amerikanen, en traagheid, in spreken, in stappen, in glimlachen.
Wat erg opvalt zijn de Thaise mannen. De slechts 5 heteromannen die we zijn tegengekomen zijn oud, taxicauffeur zonder tanden en kennen slechts 1 zin Engels Thai ladies vely beautiful. De rest zijn jongetjes die liever meisje willen zijn. Waarom ze die sport Thai boxen noemen, is me een raadsel. Kan onmogelijk over Thaise mannen gaan.
Wat nog opvalt, is dat de Thai amper Engels kunnen. Voor een land met zoveel toeristen, voelt het echt vreemd dat je niet echt een praatje kan slaan met de locals. Soms ook stresserend, wanneer je net met hand en tand hebt zitten uitleggen dat je naar de busterminal moet en na een uur rijden door de traffic jam van Bangkok plots de luchthaven voor je ziet opdoemen bijvoorbeeld... Toch in de busterminal geraakt, maar ook daar weer. How much for a busticket to Chiang Kong? Yes. When does the bus leave? Yes. Is there anyone who speaks English here? Yes. You? Yes. Are you ugly? Yes. Hopeloos dus. Toch op de bus geraakt!
zondag 22 juli 2007
Reisvoorbereiding
“Je stukjes op je blog hebben niet echt een pointe. Vroeger hadden je stukjes dat wel”, zegt ze tussen de boterham met kaas en confituur door. Ik kijk even op van mijn mok koffie, vragende blik. Maar Jaks is ondertussen al weer in de krant verdiept. “Leterme is toch een lul”, vervolgt ze. “Met of zonder pointe?”, vraag ik. Ze lacht, ik heb haar aandacht weer. “Als jij maar vuile praat kan verkopen.”
Ontbijttafereel in Kessel-Lo. Praten over stukjes schrijven, vroeger en nu.
Vakantie is… tijd voor ontbijttaferelen.
Nog twee dagen en dan vertrekken we naar “het koninkrijk van een miljoen olifanten” dixit de Lao. Laos is het dunstbevolkte land van Azië, met slechts 5.8 miljoen inwoners, maar wel 68 verschillende bevolkingsgroepen. Het wordt mijn eerste keer Azië, ik kijk er ontzettend naar uit. Naar het schijnt waart Boeddha daar nog rond. Een olijke dikkerd met chill als middle name. Na het racetempo waarin de eerste helft van 2007 zich afgespeeld heeft, zie ik die boeddha wel zitten. Jaklien precies ook, want ik vind op haar bureau het boek “Zen, en de kunst van het motoronderhoud”. Het kan aan mij liggen, maar ik vind die titel redelijk verontrustend. Motoronderhoud? Ik neem me voor niet te veel vragen te stellen. En leg voor mezelf mijn pocket “yoga voor beginners” nog eens klaar. Sinds ik dat boekje drie jaar geleden kocht, ben ik toch al aan de volle eerste vijf pagina’s geraakt. Als de moesson daar in Laos lelijk gaat huishouden, zoals worldweathernews mij onheilspellend meedeelt, zal ik tenminste vanonder een bamboorieten dakje de zonnegroet feilloos kunnen brengen. Dat is nu eens wat ik noem een deftige reisvoorbereiding.
Ik ben altijd bijzonder in mijn nopjes als ik aan reisvoorbereiding kan doen. Liefst van al begin ik weken op voorhand. En leg ik zo ongeveer alles van mijn persoonlijke spullen bij elkaar om dan te gaan schiften. Nee, tennissen gaan we niet doen in Laos. Gitaar, don’t even think about it. En drie paar zonnenbrillen is erover. Mijn verdere voorbereiding spitst zich vooral toe op a) welke boeken neem ik mee b) welke muziek zet ik op mijn i-pod c) mezelf een limiet opleggen in aantal t-shirtjes die meemogen d) allergiepillekes inslaan en e) de mama nog eens bellen. Met die top 5 haal ik het wel. Dacht ik altijd. Want wat lees ik net in de reisgids? “Malaria is de meest gevreesde ziekte voor reizigers naar Laos. Specialisten omschrijven de Laotiaanse malaria als een van de taaiste ter wereld: hij is resistent tegen de in omloop zijnde antimalariamiddelen en vaak zelfs tegen intraveneuze kinine. Neem zoveel mogelijk voorzorgen. Een doeltreffend middel is deet en uiteraard neem je een muggennet mee.” Uiteraard neem je een muggennet mee. D’Oh!
Jaklien, die er een heel andere soort reisvoorbereiding op nahoudt,
stuurde mij gisteren ’t stad in om een muggennet te gaan kopen, maar onderweg naar de AS, passeerde ik de Fnac, belandde daar op de boekenafdeling, herinner me aan m’n zelfopgelegde maandelijkse Fnacbudgetlimiet en wandel mijmerend of Harry nu al dan niet gaat sterven terug naar huis –zonder muggennet. En vandaag is het onze aller Belgische feestdag, en zijn de winkels dicht. En dus vertrekt bibi én zonder Harry Potterboek, én zonder muggennet naar Laos. Of hier een pointe in zit? Ik weet het niet, maar liefde is ook: niet altijd een pointe moeten hebben. En een éénpersoonsmuggennet delen.
Ontbijttafereel in Kessel-Lo. Praten over stukjes schrijven, vroeger en nu.
Vakantie is… tijd voor ontbijttaferelen.
Nog twee dagen en dan vertrekken we naar “het koninkrijk van een miljoen olifanten” dixit de Lao. Laos is het dunstbevolkte land van Azië, met slechts 5.8 miljoen inwoners, maar wel 68 verschillende bevolkingsgroepen. Het wordt mijn eerste keer Azië, ik kijk er ontzettend naar uit. Naar het schijnt waart Boeddha daar nog rond. Een olijke dikkerd met chill als middle name. Na het racetempo waarin de eerste helft van 2007 zich afgespeeld heeft, zie ik die boeddha wel zitten. Jaklien precies ook, want ik vind op haar bureau het boek “Zen, en de kunst van het motoronderhoud”. Het kan aan mij liggen, maar ik vind die titel redelijk verontrustend. Motoronderhoud? Ik neem me voor niet te veel vragen te stellen. En leg voor mezelf mijn pocket “yoga voor beginners” nog eens klaar. Sinds ik dat boekje drie jaar geleden kocht, ben ik toch al aan de volle eerste vijf pagina’s geraakt. Als de moesson daar in Laos lelijk gaat huishouden, zoals worldweathernews mij onheilspellend meedeelt, zal ik tenminste vanonder een bamboorieten dakje de zonnegroet feilloos kunnen brengen. Dat is nu eens wat ik noem een deftige reisvoorbereiding.
Ik ben altijd bijzonder in mijn nopjes als ik aan reisvoorbereiding kan doen. Liefst van al begin ik weken op voorhand. En leg ik zo ongeveer alles van mijn persoonlijke spullen bij elkaar om dan te gaan schiften. Nee, tennissen gaan we niet doen in Laos. Gitaar, don’t even think about it. En drie paar zonnenbrillen is erover. Mijn verdere voorbereiding spitst zich vooral toe op a) welke boeken neem ik mee b) welke muziek zet ik op mijn i-pod c) mezelf een limiet opleggen in aantal t-shirtjes die meemogen d) allergiepillekes inslaan en e) de mama nog eens bellen. Met die top 5 haal ik het wel. Dacht ik altijd. Want wat lees ik net in de reisgids? “Malaria is de meest gevreesde ziekte voor reizigers naar Laos. Specialisten omschrijven de Laotiaanse malaria als een van de taaiste ter wereld: hij is resistent tegen de in omloop zijnde antimalariamiddelen en vaak zelfs tegen intraveneuze kinine. Neem zoveel mogelijk voorzorgen. Een doeltreffend middel is deet en uiteraard neem je een muggennet mee.” Uiteraard neem je een muggennet mee. D’Oh!
Jaklien, die er een heel andere soort reisvoorbereiding op nahoudt,
stuurde mij gisteren ’t stad in om een muggennet te gaan kopen, maar onderweg naar de AS, passeerde ik de Fnac, belandde daar op de boekenafdeling, herinner me aan m’n zelfopgelegde maandelijkse Fnacbudgetlimiet en wandel mijmerend of Harry nu al dan niet gaat sterven terug naar huis –zonder muggennet. En vandaag is het onze aller Belgische feestdag, en zijn de winkels dicht. En dus vertrekt bibi én zonder Harry Potterboek, én zonder muggennet naar Laos. Of hier een pointe in zit? Ik weet het niet, maar liefde is ook: niet altijd een pointe moeten hebben. En een éénpersoonsmuggennet delen.
donderdag 19 juli 2007
Gent
Gentse Feesten. Dat is elk jaar anders. En ook weer helemaal niet.
Ik was 14 toen ik de eerste keer naar de Feesten ging, ik mocht mee met nicht Els, die toen in Gent (huisje in de visserij) woonde, op de PVDA-lijst stond en mij de geur van schraal bier in het Baudelopark deed ontdekken. Els woont ondertussen al enkele jaren in Gambia, is geen communist meer, en heeft niet echt meer iets met Gent.
En toch. Als ik tijdens de Gentse Feesten in het Baudelopark kom, denk ik nog eens aan haar. Aan hoe ik eigenlijk toch via haar mijn eerste ‘linkse’ pasjes ooit zette. Door mijn klas op te stoken om tijdens de schooluren mee te doen met een PVDA-betoging (mislukt want de leerkracht Frans tijdens wiens uurtje het doorging en waarvan ik dacht dat ik die kon winnen voor de goeie zaak, was gaan klikken bij de directeur. De uitbrander van Cloet, de directeur, deed mijn links vlammeke even uitgaan; zijn latere foute inschatting door mij in het vijfde middelbaar Hanne Vandercammen als leerkracht Nederlands te geven zorgde voor een nieuwe linkse opflakkering). Met de PVDA en mij is het toch nooit echt goed gekomen.
Hoewel ik één keer toch opnieuw laten we zeggen ‘gecharmeerd’ was. Dat was ook weer in Gent. Op 19 oktober 2001. O19. België was voorzitter van de EU en de andersglobalisten waren na Seattle ook van plan in België van zich te doen spreken. Dat vond bibi een bijzonder goed idee. Op 19 oktober was ik om 6u ’s ochtends al op pad met mijn radiosetje want ik moest en zou verslag uitbrengen van “het verzet”. Dat de rest van mijn groepeke (steffi, de kwoaren, tom, kurt…) het een schoolopdracht als een andere vonden, kon mij niet deren. Op 19 oktober ging ik in hoogsteigenpersoon het neoliberalisme bestrijden. En dus dweepte ik met alle linkse rakkers die ik toen in Gent tegenkwam. Ik interviewde Eric Goeman van Attac, Jan Blommaert, de prof, Han Soete, PVDA én man van Indymedia en Luc De Vos. Ik voelde mij een sterreporter. De rest van mijn groepeke vond mij redelijk irritant.
Maar toen Gorki “keep on rockin’ in a free world” inzette, geloofde ik echt, heel echt op dat moment, dat de wereld kon veranderen. Dat Gent de wereld kon veranderen.
Ik denk dat het dat is, dat ik telkens opnieuw voel, als ik in Gent kom. Het gevoel de wereld een beetje in je binnenzak te kunnen steken, en er iets mee te doen. Misschien is dat mijn privilege geworden nu ik er niet meer woon. Dat ik het niet vanzelfsprekend vind, dat ik opensta voor verwondering. De vibes van Gent, mijn vibes. Met dank aan Steffi, zonder wie Gent niet hetzelfde zou zijn (WK kijken in den hemel), aan Thai Stef (voor de 4sterrencrash plek en eres tu), aan Tine (voor de legendarische tae-bo sessies), aan San en Natasha (voor het barcelona-plan), aan Mieke (toen was alles nog koek en ei), aan Kurt (voor de radio-repo met de sprinkhanen), aan Sieg (voor fabula rasamomenten), aan Nati (voor het water), aan Els DT (voor het analyseren), aan Lizzy (voor de kids). En al die anderen natuurlijk. Van toen op 19 oktober, en van al die tijd ervoor en erna.
Als ode aan Gent, én de nachten van de Gentse Feesten, op en aan het water.
“Als ik je morgen ergens tegenkom. Els De Schepper.”
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan weet ik dat ik val
Voor je fonkelende ogen
Over wat ik zeggen zal
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan weet ik dat ik smelt
Voor je wondermooie lichaam
En voor al wat je vertelt
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan vrees ik dat ik ren
Zo ver ik maar kan lopen
Tot ik buiten adem ben
Als ik je morgen ergens tegenkom
Zal het knagen binnenin
Het was kiezen en verliezen
Geen weg daar tussenin
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
Ik was 14 toen ik de eerste keer naar de Feesten ging, ik mocht mee met nicht Els, die toen in Gent (huisje in de visserij) woonde, op de PVDA-lijst stond en mij de geur van schraal bier in het Baudelopark deed ontdekken. Els woont ondertussen al enkele jaren in Gambia, is geen communist meer, en heeft niet echt meer iets met Gent.
En toch. Als ik tijdens de Gentse Feesten in het Baudelopark kom, denk ik nog eens aan haar. Aan hoe ik eigenlijk toch via haar mijn eerste ‘linkse’ pasjes ooit zette. Door mijn klas op te stoken om tijdens de schooluren mee te doen met een PVDA-betoging (mislukt want de leerkracht Frans tijdens wiens uurtje het doorging en waarvan ik dacht dat ik die kon winnen voor de goeie zaak, was gaan klikken bij de directeur. De uitbrander van Cloet, de directeur, deed mijn links vlammeke even uitgaan; zijn latere foute inschatting door mij in het vijfde middelbaar Hanne Vandercammen als leerkracht Nederlands te geven zorgde voor een nieuwe linkse opflakkering). Met de PVDA en mij is het toch nooit echt goed gekomen.
Hoewel ik één keer toch opnieuw laten we zeggen ‘gecharmeerd’ was. Dat was ook weer in Gent. Op 19 oktober 2001. O19. België was voorzitter van de EU en de andersglobalisten waren na Seattle ook van plan in België van zich te doen spreken. Dat vond bibi een bijzonder goed idee. Op 19 oktober was ik om 6u ’s ochtends al op pad met mijn radiosetje want ik moest en zou verslag uitbrengen van “het verzet”. Dat de rest van mijn groepeke (steffi, de kwoaren, tom, kurt…) het een schoolopdracht als een andere vonden, kon mij niet deren. Op 19 oktober ging ik in hoogsteigenpersoon het neoliberalisme bestrijden. En dus dweepte ik met alle linkse rakkers die ik toen in Gent tegenkwam. Ik interviewde Eric Goeman van Attac, Jan Blommaert, de prof, Han Soete, PVDA én man van Indymedia en Luc De Vos. Ik voelde mij een sterreporter. De rest van mijn groepeke vond mij redelijk irritant.
Maar toen Gorki “keep on rockin’ in a free world” inzette, geloofde ik echt, heel echt op dat moment, dat de wereld kon veranderen. Dat Gent de wereld kon veranderen.
Ik denk dat het dat is, dat ik telkens opnieuw voel, als ik in Gent kom. Het gevoel de wereld een beetje in je binnenzak te kunnen steken, en er iets mee te doen. Misschien is dat mijn privilege geworden nu ik er niet meer woon. Dat ik het niet vanzelfsprekend vind, dat ik opensta voor verwondering. De vibes van Gent, mijn vibes. Met dank aan Steffi, zonder wie Gent niet hetzelfde zou zijn (WK kijken in den hemel), aan Thai Stef (voor de 4sterrencrash plek en eres tu), aan Tine (voor de legendarische tae-bo sessies), aan San en Natasha (voor het barcelona-plan), aan Mieke (toen was alles nog koek en ei), aan Kurt (voor de radio-repo met de sprinkhanen), aan Sieg (voor fabula rasamomenten), aan Nati (voor het water), aan Els DT (voor het analyseren), aan Lizzy (voor de kids). En al die anderen natuurlijk. Van toen op 19 oktober, en van al die tijd ervoor en erna.
Als ode aan Gent, én de nachten van de Gentse Feesten, op en aan het water.
“Als ik je morgen ergens tegenkom. Els De Schepper.”
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan weet ik dat ik val
Voor je fonkelende ogen
Over wat ik zeggen zal
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan weet ik dat ik smelt
Voor je wondermooie lichaam
En voor al wat je vertelt
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
Als ik je morgen ergens tegenkom
Dan vrees ik dat ik ren
Zo ver ik maar kan lopen
Tot ik buiten adem ben
Als ik je morgen ergens tegenkom
Zal het knagen binnenin
Het was kiezen en verliezen
Geen weg daar tussenin
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
Ook al is er veel veranderd
In het leven dat ik leid
En als ik achterom kijk
Is er weinig dat me spijt
Maar er was iets tussen ons
Ik raak het nooit meer kwijt
Er was iets tussen ons
Dat me bijbleef al die tijd
In de krant vandaag
In de krant vandaag – rubriek “De Zomer van de liefde”, Sven aan het woord.
Nog voor ik aan het interview begin, valt mijn oog op de foto. Sven, dat gekende trekje rond de mond, handen stoer in de zakken. Speels lachje, kijkt hij strak de cameralens in. Sven makes me smile. Hoe hij daar op de foto staat. Stoere, open blik; en ook weer helemaal niet. En dan lees ik het artikel. En nog eens, en nog eens. En nemen via Sven m’n gedachten me even mee.
Hoe ik bedenk dat het soms ook wel erg fijn is om holebi te zijn. Anders. En samen met anderen anders, dat vooral. Denk ik terug aan mijn periode bij Uit De Kast. Zo fout, maar zo fijn, die radio maken. Het holebiwereldje per microfoon ontdekken (altijd handig als opener bij meisjes), maandenlang Eurosongliedjes draaien (wat doe je met maar twee CD’s), met Sven en Tom op stap, altijd maar opnieuw speciaal gevallen als medewerker krijgen (de stotterende homochinees hebben we toch buiten kunnen houden), en als dieptepunt een interview met Sarah Bettens per ongeluk deleten voor je het op de radio hebt gesmeten (ik heb toen het begrip dramaqueen een nieuwe dimensie gegeven). En denk ik aan Wel Jong Niet Hetero, aan de kampen, de fuiven, de ook weer heel erg soms foute maar fijne tijden. Denk ik vooral aan de vrienden die ik daar van meedraag, toch wel altijd op een bijzondere manier “mijn mensjes”, al is het alleen al omdat zij meer dan anderen weten hoe fout fout en fijn kan zijn.
Sven heeft het in het interview ook hoe de tijden ondertussen toch echt veranderd zijn. Ik denk terug aan die allereerste keer dat ik het eindelijk aandurfde om naar een holebifuif te gaan, nog nooit een holebi van dichtbij gezien …(nu heb je -dixit Steffi-zelfs al een ware Lesbollah) hoe ik daar mijn ogen stond uit te kijken en dacht “heeeeelp”. En toen was er Madonna’s “ray of light”, en iemand die me op de dansvloer tussen die meute holebi’s trok. Plots was het meer van: hey, this could be awesome! Heel wat minder awesome werd het toen ik bedacht dat ik nu ook wel eens wat vrienden en familie mocht 'informeren'. Doen deed ik het weer zo ongeveer elke keer in mijn broek. Maar ook dat overleef je. Met dank aan de sympathieke reacties van vrienden bij de coming out van toen. (Tine: tof, tof, vertel, vertel, hoe is dat dan sex? Hanne: no shit! hebt gij da zelf nu maar door ofwa? Lynn: jessken, is het dat maar ofwa dat je me nu al een half jaar probeert te zeggen? en enkele jaren later Steffi: oh nee, nog één)
Nu zijn we bijna tien jaar verder, en nog altijd kan de coming-out wel eens sputteren. Zo praten mijn kapster, en de waxmadam van de beautyclub nog altijd over “mijn vriend” en heb ik ze –nog altijd- niet euh bijgestuurd. I know, I know, maar ja, stel dat mijn kapster van ’t verschiet mijn kapsel verkloot, no can do!! En stel dat die waxmadam met haar hete wax uitschuift …
www.standaard.be/zomervandeliefde
www.uitdekast.be
www.weljongniethetero.be
Nog voor ik aan het interview begin, valt mijn oog op de foto. Sven, dat gekende trekje rond de mond, handen stoer in de zakken. Speels lachje, kijkt hij strak de cameralens in. Sven makes me smile. Hoe hij daar op de foto staat. Stoere, open blik; en ook weer helemaal niet. En dan lees ik het artikel. En nog eens, en nog eens. En nemen via Sven m’n gedachten me even mee.
Hoe ik bedenk dat het soms ook wel erg fijn is om holebi te zijn. Anders. En samen met anderen anders, dat vooral. Denk ik terug aan mijn periode bij Uit De Kast. Zo fout, maar zo fijn, die radio maken. Het holebiwereldje per microfoon ontdekken (altijd handig als opener bij meisjes), maandenlang Eurosongliedjes draaien (wat doe je met maar twee CD’s), met Sven en Tom op stap, altijd maar opnieuw speciaal gevallen als medewerker krijgen (de stotterende homochinees hebben we toch buiten kunnen houden), en als dieptepunt een interview met Sarah Bettens per ongeluk deleten voor je het op de radio hebt gesmeten (ik heb toen het begrip dramaqueen een nieuwe dimensie gegeven). En denk ik aan Wel Jong Niet Hetero, aan de kampen, de fuiven, de ook weer heel erg soms foute maar fijne tijden. Denk ik vooral aan de vrienden die ik daar van meedraag, toch wel altijd op een bijzondere manier “mijn mensjes”, al is het alleen al omdat zij meer dan anderen weten hoe fout fout en fijn kan zijn.
Sven heeft het in het interview ook hoe de tijden ondertussen toch echt veranderd zijn. Ik denk terug aan die allereerste keer dat ik het eindelijk aandurfde om naar een holebifuif te gaan, nog nooit een holebi van dichtbij gezien …(nu heb je -dixit Steffi-zelfs al een ware Lesbollah) hoe ik daar mijn ogen stond uit te kijken en dacht “heeeeelp”. En toen was er Madonna’s “ray of light”, en iemand die me op de dansvloer tussen die meute holebi’s trok. Plots was het meer van: hey, this could be awesome! Heel wat minder awesome werd het toen ik bedacht dat ik nu ook wel eens wat vrienden en familie mocht 'informeren'. Doen deed ik het weer zo ongeveer elke keer in mijn broek. Maar ook dat overleef je. Met dank aan de sympathieke reacties van vrienden bij de coming out van toen. (Tine: tof, tof, vertel, vertel, hoe is dat dan sex? Hanne: no shit! hebt gij da zelf nu maar door ofwa? Lynn: jessken, is het dat maar ofwa dat je me nu al een half jaar probeert te zeggen? en enkele jaren later Steffi: oh nee, nog één)
Nu zijn we bijna tien jaar verder, en nog altijd kan de coming-out wel eens sputteren. Zo praten mijn kapster, en de waxmadam van de beautyclub nog altijd over “mijn vriend” en heb ik ze –nog altijd- niet euh bijgestuurd. I know, I know, maar ja, stel dat mijn kapster van ’t verschiet mijn kapsel verkloot, no can do!! En stel dat die waxmadam met haar hete wax uitschuift …
www.standaard.be/zomervandeliefde
www.uitdekast.be
www.weljongniethetero.be
maandag 9 juli 2007
Marokko
Ooit al iemand een studiereis gemaakt? Ik nu wel. 8 dagen op studiereis naar Marokko. Studeren over onder andere sociale dialoog, de islam, de vrouw en de islam, democratie en sociale economie. En ik die dacht dat de uiteenzettingen van Boudewijn Bouckaert op de unief al ergerlijk waren. Praten dat die Marokkanen kunnen. Praaaaaaaaaaaten. Urenlang zelf het woord nemen waarbij ze 700 keer herhalen dat ze klaar zijn voor een open debat. Open debat? Tegen de tijd dat die eerste Marokkaan meestal uitgepraat was, groeiden er al spinnenwebben aan mijn notaboekje en moest ik al 30 keer mijn tenen krullen om er niet vandoor te gaan. Nu heb ik het sowieso wel moeilijk om lang te blijven zitten en luisteren maar in Marokko hebben ze toch alle records gebroken. Vooral als ze over de islam begonnen, zag ik Mohammedaanse sterrekes vliegen. Toen ik telkens ze het over de islam hadden echt moest beginnen niezen, was het voor mij duidelijk: het is buiten mijn wil om, maar ik ben allergisch aan godsdiensten. Ook aan kamelen ben ik allergisch en aan de overdosis aanhunkruiskrabbende mannen die m’n weg kruisten in Marokko. Was dan alles negatief? Bijlange niet. Ik had een zalige groep mede-studiereizigers, met veel humor, veel flexibiliteit voor voortdurende veranderende dagprogramma’s, en veel dorst. Dat zat dus wel snor. Over snorren gesproken. De Marokkaanse vrouwen lopen er in Casablanca veel moderner, minder gesluitered bij dan in pakweg Schaarbeek. Trouwens een aantal ferme madammen ontmoet, die qua interventies (geen blabla), projectbeheer en langetermijnvisie met kop en schouder boven hun mannelijke collega’s staken. Dat is trouwens mijn indruk van andere landen in Afrika ook. Zoals Rabiatou bijvoorbeeld, die in Guinee als vakbondsvrouw haar corrupte regering op de knieën kreeg. Zoals Wangari Maathai die in Kenia de boomplantbeweging startte en daarmee duurzame ontwikkeling een gezicht gaf in Afrika. Om maar enkelen te noemen. Misschien moet ik dus maar niet te streng zijn in mijn oordeel over Marokko. Het zijn misschien m’n types niet, maar de vrouwen in Marokko zorgen voor een dynamiek die het land sterk vooruitstuwt. Dus als de vrouwen het in Marokko en bij uitbreiding in heel Afrika meer voor het zeggen krijgen, wil ik ooit wel nog eens teruggaan. Maar tussen mij en de islam, komt het nooit meer goed.
Ongebroken, de net uitgekomen autobiografie van Wangari Maathai
Ongebroken, de net uitgekomen autobiografie van Wangari Maathai
Abonneren op:
Posts (Atom)