Music for life dag vijf. Ik heb het weer vlaggen. Ik ben verslaafd aan Siska, Sofie en Sam. Aan ‘de vibes’ die dit evenement met zich meebrengt. Het is een beetje alsof je de hele dag tiramisu mag eten. Al luisterend. Zalig vind ik dat. Gewoon omdat het feelgoodradio is en het leuk om horen is hoe mensen massaal mee opgaan in dit hele gebeuren. Al blijft er van het spontane, authentieke gebeuren van die eerste keren niet zoveel overeind. Elk groot bedrijf of merk wil nu gewoon een graantje meepikken van de MFL-hype. Dat begon me te storen toen ik voor de vijfde keer ergens las of hoorde dat Electrabel met groene energie het huis verwarmt. Electrabel groen, my ass. Dat Electrabel zich verbindt aan een goed doel vind ik zwaar hypocriet. Die mogen mee met de Chinezen in het ‘ik verkloot Kopenhagen’ hoekje.
Maar al die mooie nummers. Daan die ‘icon’ komt spelen. Het MFL lied van mijn helden Sarah & Gert. De vele mensen die oprecht hun bijdrage geven. Die drie lekkere, gekke presentatoren (ja, zelfs visoog kan me bekoren deze keer), rosse Linde en Thomas op tour in Vlaanderen. Het heeft zoiets … pakkends. En op zo’n grote schaal, met zoveel rock ’n roll, komt dat nog maar amper voor in ons anders rechtsrukkende Vlaanderen. Vorige week nog zaten er vier heren in mijn treinwagon te foeteren op het feit dat Leterme 700 extra bedden had geregeld voor daklozen, zodat ze in deze vrieskou niet buiten moeten slapen. Dat vond de yup godsgeklaagd. Andere reizigers pikten erop in en braakten eveneens wat rechts gelul uit over de waan van de dag. Ik keek verder rond in mijn wagon en de rest sliep, las zijn krant of had het geluk naar zijn ipod te kunnen luisteren. Ik vond de trein stinken. Dat doet die meestal al, maar het stonk er vooral naar verdorven, afgestompte mensen.
Alleen daarom ben ik mega fan van Music For Life. Remedie tegen cynici. De energie, de positiviteit, de gulheid van mensen. Een goed plaatje, een beetje menselijkheid. De wereld zou een pak minder stinken.
dinsdag 22 december 2009
Kine
Hij drinkt geen nespresso en werkt niet in een hospitaal in Seattle. Maar sinds twee weken is er naast George Clooney en McDreamy een nieuwe man die mij van mijn sokken blaast. Hij heeft sterke handen en van die Tom Boonen benen. Als hij me streng toespreekt over mijn labiele pezen en mijn niet bestaande bovendijspieren sta ik meestal wat schaapachtig te grinniken.
Mijn kine is knap. Niet zo ‘uit de boekskes knap’, maar zo ‘jij brengt mij wat van mijn wijs-knap’. Ik moet om mijn knie ‘Patagonië-klaar’ te maken elke dag ‘stabilisatie-oefeningen’ doen van mijn kine. Want ik heb labiele pezen aan mijn knie. Bij uitbreiding hyperelasticiteit van al mijn spieren. Dat heeft hij geconstateerd door ondermeer mijn vingers bijna plat tegen mijn pols te kunnen drukken. Hij fronst de hele tijd zijn rechterwenkbrauw als hij mij ‘diagnosticeert’.
Mij verbaast het allerminst, dat ik labiele pezen heb, maar dat ga ik niet aan zijn neus hangen natuurlijk. Je ligt daar al in je ondergoed en dan moet je daar wat schaarbewegingen allerlei fabriceren. Dat vind ik voor vier afspraakjes op rij best al intiem genoeg met mijn nieuwe man. Maar we kunnen we het dus goed vinden met elkaar. Hij heeft twee dwergkonijnen.
En terwijl hij wat elektronen door mijn minuscus jaagt, vertelt hij sportverhalen. Over squash meestal, maar dat deert me niet. Ik doe nu elke dag braaf mijn oefeningetjes en het staat dus vast: ik word in 2010 één en al stabiliteit.
Mijn kine is knap. Niet zo ‘uit de boekskes knap’, maar zo ‘jij brengt mij wat van mijn wijs-knap’. Ik moet om mijn knie ‘Patagonië-klaar’ te maken elke dag ‘stabilisatie-oefeningen’ doen van mijn kine. Want ik heb labiele pezen aan mijn knie. Bij uitbreiding hyperelasticiteit van al mijn spieren. Dat heeft hij geconstateerd door ondermeer mijn vingers bijna plat tegen mijn pols te kunnen drukken. Hij fronst de hele tijd zijn rechterwenkbrauw als hij mij ‘diagnosticeert’.
Mij verbaast het allerminst, dat ik labiele pezen heb, maar dat ga ik niet aan zijn neus hangen natuurlijk. Je ligt daar al in je ondergoed en dan moet je daar wat schaarbewegingen allerlei fabriceren. Dat vind ik voor vier afspraakjes op rij best al intiem genoeg met mijn nieuwe man. Maar we kunnen we het dus goed vinden met elkaar. Hij heeft twee dwergkonijnen.
En terwijl hij wat elektronen door mijn minuscus jaagt, vertelt hij sportverhalen. Over squash meestal, maar dat deert me niet. Ik doe nu elke dag braaf mijn oefeningetjes en het staat dus vast: ik word in 2010 één en al stabiliteit.
zondag 6 december 2009
Het venster
Deze keer liep ik niet rond als een kieken zonder kop. Dat verheugde me. Ik had het allemaal voor elkaar. De was hing fris ruikend op het rekje. Er was brood van de natuurbakker. En massa’s ander lekkers. Ik had de vertrouwde Colruyt gelaten voor wat het was en had me naar de Delhaize gewaagd. Diegene die mijn supermarktfobie kennen weten dat dit een mega inspanning is. Bij de Colruyt heb ik eindelijk het niveau gehaald dat het niet vinden van producten (en dus bijna kunnen janken) tot een minimum herleid is en kan ik systematisch die spullen in mijn karretje laden die het fundament vormen van ons wekelijks survivalpakket. In de Delhaize wordt de autist in mij zeer onrustig. Teveel producten, die niet logisch opgedeeld staan of niet de structuur van mijn boodschappenlijstje respecteren. Maar goed. Ik zou een culinair avontuur aangaan en had daarvoor de Delhaize, en meer bepaald currypasta en visolie nodig. Mijn liefi kwam thuis en ik wou mezelf en haar overtreffen. En dus stonden er witte rozen in een vaas, enkele cadeautjes, een flesje bubbels en een Thais dinner op haar te wachten. Niet dat Jak lang was weg geweest. Een dikke week begot. Maar toch. Ik was geen kip zonder kop maar een kwispelende puppy, uitkijkend tot haar speelmaatje terug thuis zou zijn.
Ik had er een leuk weekje op zitten. Als de kat van huis is, is dees muis nog minder thuis. En dus sliep ik zaterdag eerst de voorbije korte nachten van me af, om dan m’n beste huishoudelijke beentje voor te zetten. Er was de klimaatmanifestatie in Brussel waar ik hoorde te zijn. En het is een flauw excuus, maar ik maakte het mezelf gemakkelijk en koos resoluut om in het straks weer samen thuis zijn te investeren.
Het werd al snel donker in de namiddag. Nog even. De lucht kleurde schakeringen donker blauw en oranje en gaf weer die bijzondere gloed aan de wijdsheid waar ik zat in te turen. Ik stond daar aan ons venster, en voelde de warmte van ons huis als een (dek)mantel om me vallen. Ik bedacht hoe mooi ik het zou vinden om ook later, vele jaren later, naar dit venster te kunnen komen, wachtend op haar thuiskomst. En dan ook, zoals nu, Yasmines nummer – venster- op repeat te zetten…
Waarom sta je weer bij het venster, gevangen in schoonheid en trots
De nacht heeft je hart weer verpletterd, de glans in je ogen verstopt
Verloren in lokkende geuren, gewikkeld in vodden van spijt
Of zoekend en zeeziek op golven, verdronken in zeeën van tijd
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
Loop weg van dat eeuwige venster
Er is nog plaats op de maan, de stad licht nu op in de verte
De torens, je ziet ze toch staan.
En leg je niet neer bij je klachten
En laat niemand wachten op jou
Maar duik in je tranen en spring er weer uit
En weet dat ik echt van je hou
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
Dus stap nu maar weg van dat venster
En leg dan je roos op het vuur
De zon zal je kamer verwarmen
Zelf nu op dit nachtelijk uur, want de zegen laat niet op zich wachten
Voor al wie de zegen begrijpt
De beloning voor eenzame nachten
Onthult zich voor wie er naar grijpt
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
http://www.youtube.com/watch?v=AO0Wy35QUF8
Ik had er een leuk weekje op zitten. Als de kat van huis is, is dees muis nog minder thuis. En dus sliep ik zaterdag eerst de voorbije korte nachten van me af, om dan m’n beste huishoudelijke beentje voor te zetten. Er was de klimaatmanifestatie in Brussel waar ik hoorde te zijn. En het is een flauw excuus, maar ik maakte het mezelf gemakkelijk en koos resoluut om in het straks weer samen thuis zijn te investeren.
Het werd al snel donker in de namiddag. Nog even. De lucht kleurde schakeringen donker blauw en oranje en gaf weer die bijzondere gloed aan de wijdsheid waar ik zat in te turen. Ik stond daar aan ons venster, en voelde de warmte van ons huis als een (dek)mantel om me vallen. Ik bedacht hoe mooi ik het zou vinden om ook later, vele jaren later, naar dit venster te kunnen komen, wachtend op haar thuiskomst. En dan ook, zoals nu, Yasmines nummer – venster- op repeat te zetten…
Waarom sta je weer bij het venster, gevangen in schoonheid en trots
De nacht heeft je hart weer verpletterd, de glans in je ogen verstopt
Verloren in lokkende geuren, gewikkeld in vodden van spijt
Of zoekend en zeeziek op golven, verdronken in zeeën van tijd
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
Loop weg van dat eeuwige venster
Er is nog plaats op de maan, de stad licht nu op in de verte
De torens, je ziet ze toch staan.
En leg je niet neer bij je klachten
En laat niemand wachten op jou
Maar duik in je tranen en spring er weer uit
En weet dat ik echt van je hou
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
Dus stap nu maar weg van dat venster
En leg dan je roos op het vuur
De zon zal je kamer verwarmen
Zelf nu op dit nachtelijk uur, want de zegen laat niet op zich wachten
Voor al wie de zegen begrijpt
De beloning voor eenzame nachten
Onthult zich voor wie er naar grijpt
Oh prachtig lief, onrustig lief
Oh kluwen van lichaam en ziel
Oh schat van hemel, aarde en hel
Je nederlaag is bitter zoet, ik ken ze zo goed
http://www.youtube.com/watch?v=AO0Wy35QUF8
Dubbele moraal
Ik vraag me af of het iets is waar veel mensen wel eens mee te kampen krijgen. Dubbele moraal. Tussen wat je luidruchtig op café verkondigt en je er zelf in de praktijk van in huis brengt. Het is iets waar ik deze week mee worstelde.
Deze week was de vakbond niet uit de media te bannen. Ik heb me een beetje zitten ergeren. In eerste instantie aan het veralgemeende beeld dat van dé vakbond in de media weergegeven wordt. Alsof een organisatie van 1.7 miljoen leden in enkele quotes, in enkele krantenkoppen kan gevat worden. Laten we het voordeel van de twijfel aan de media geven. Tenslotte ben ik een media-liefhebber.
Yves Desmet: “vandaag de dag pleiten voor een hogere ontslagvergoeding getuigt van enige wereldvreemdheid. “ En ik vraag me af of hij gelijk heeft. Ik weet maar al te goed dat ik daar niet gegrond over kan oordelen. Ik heb niet voldoende statistische gegevens om te weten wat vandaag de dag het lot is van de vele mensen die door de crisis hun job zijn kwijtgeraakt. Worden zij voldoende opgevangen door ons sociaal systeem? Kan een arbeider in de periode van 56 dagen dat hij uitbetaald wordt voor een alternatief inkomen voor zijn familie voorzien? Misschien wel, misschien niet. Ik weet het niet. Als ik het niet weet, die toch dagdagelijks met socio-economische thema’s geconfronteerd word, hoeveel van mijn vrienden, van mijn leeftijdsgenooten, kunnen dan wel een juiste inschatting maken? Weinig denk ik. Maar tegelijkertijd zullen er allicht bijzonder veel instemmend geknikt hebben op Yves’ betoog. De Morgen lezers dan toch. Zoals ik. Met een universitaire opleiding, een deftig gemiddeld inkomen, bedrijfswagen in de garage en Arnon Grunberg in de boekenkast. En daar zit em al de eerst illusie. De meeste kennissen uit mijn vriendenkring zitten in de zeer comfortabele situatie zich te vertoeven in de kleine toch stevige topje van deftige middenklasser. Als ik even het rijtje afga, kan ik er bijzonder weinig opnoemen die al eens met een pakweg bandwerker gepraat hebben. Nochtans maakt het selecte clubje afgestudeerden pol&soccers, rechten en dergelijke meer maar een 8% van onze werkende bevolking uit. Een kleine nuance dat de meeste van mijn ‘De Morgen lezende kennissen’ meestal over het hoofd zien.
Een eigenschap en meerwaarde die ik altijd de vakbond toegedicht heb. Een massabeweging. Dicht bij de mensen. In staat om veel mensen te bereiken. Te mobiliseren. In te zetten voor de goeie zaak. Maar gebeurt dat altijd en voldoende? Het zijn van die vragen waar we allemaal als het ons werk aangaat allicht wel mee te kampen hebben… soms lijkt het alsof mijn werkgever met twee standaarden werkt, maar meer nog voelt het dat ik zelf met twee maten weeg… en ik raak er niet uit waar ergens in het spectrum ik me bevind… Ik rij zelf meer kilometers met mijn bedrijfswagen dan goed is voor het leefmilieu, ik hou van verre reizen en heb daarmee een voetafdruk die allicht groter is dan mijn schoenmaat… maar tezelfdertijd ben ik blij dat ik een bedrijfsauto heb zodat ik al die kilometers zelf niet moet dokken… hypocriet, ik geef het toe. Ik, die zichzelf een groen profiel aanmeet, ben meer gehecht aan mijn auto dan mijn N-VA-stemmende vriend die wel met de trein naar het werk gaat…
Bayer. Vakbond houdt halsstarrig vast aan 33urenweek. En verworvenheden waar 95% van de Belgische werknemers alleen maar van kunnen dromen. De directie vraagt voor enige toegeeflijkheid en zaken zoals een 36uren week in ruil voor 5 jaar werkzekerheid. De vakbonden lijken dit te weigeren. Ik zie de tv-reportage, ik hoor de getuigenissen. En ik denk: miljaar, wat een indruk maken we hier weer. Hetzelfde maagkrimpende effect als wanneer de treinbonden besluiten een staking te organiseren, overvalt me. Maar kennen wij het hele plaatje, alle feiten, achtergrond? Ik denk sneller in zwart-wit dan de realiteit de kans te geven het juistere, complexe kleurenpalet van ‘grijs’, -als in de waarheid schuilt ergens middenin- weer te geven.
Misschien projecteer ik de ontgoocheling in mezelf op mijn organisatie. Verdoezel ik mijn eigen tekortkomen, mijn eigen wentelen in verworvenheden en vaak inconsequent handelen tegen mijn principes in, door kwaad te zijn op iets of iemand anders. Wit of zwart, iedereen worstelt er wel eens mee. Maar af en toe moeten we ook eens tot op het bot durven gaan. Je zaakjes op een rijtje zetten, daar lijkt december wel een patent op te hebben. Ik zal nog eens een poging wagen, ik heb de komende maanden wel wat tijd... Mezelf eens in de schaal leggen. En kijken waar het wijzertje naar richt. Wegwijzers zoeken in het buitenland leidt vaak ook tot innerlijke (her)oriëntatie. En ook al zijn we dan beiden slecht in kaart lezen. Door samen in hetzelfde schuitje te zitten, varen we altijd op één of andere manier, op koers…
Deze week was de vakbond niet uit de media te bannen. Ik heb me een beetje zitten ergeren. In eerste instantie aan het veralgemeende beeld dat van dé vakbond in de media weergegeven wordt. Alsof een organisatie van 1.7 miljoen leden in enkele quotes, in enkele krantenkoppen kan gevat worden. Laten we het voordeel van de twijfel aan de media geven. Tenslotte ben ik een media-liefhebber.
Yves Desmet: “vandaag de dag pleiten voor een hogere ontslagvergoeding getuigt van enige wereldvreemdheid. “ En ik vraag me af of hij gelijk heeft. Ik weet maar al te goed dat ik daar niet gegrond over kan oordelen. Ik heb niet voldoende statistische gegevens om te weten wat vandaag de dag het lot is van de vele mensen die door de crisis hun job zijn kwijtgeraakt. Worden zij voldoende opgevangen door ons sociaal systeem? Kan een arbeider in de periode van 56 dagen dat hij uitbetaald wordt voor een alternatief inkomen voor zijn familie voorzien? Misschien wel, misschien niet. Ik weet het niet. Als ik het niet weet, die toch dagdagelijks met socio-economische thema’s geconfronteerd word, hoeveel van mijn vrienden, van mijn leeftijdsgenooten, kunnen dan wel een juiste inschatting maken? Weinig denk ik. Maar tegelijkertijd zullen er allicht bijzonder veel instemmend geknikt hebben op Yves’ betoog. De Morgen lezers dan toch. Zoals ik. Met een universitaire opleiding, een deftig gemiddeld inkomen, bedrijfswagen in de garage en Arnon Grunberg in de boekenkast. En daar zit em al de eerst illusie. De meeste kennissen uit mijn vriendenkring zitten in de zeer comfortabele situatie zich te vertoeven in de kleine toch stevige topje van deftige middenklasser. Als ik even het rijtje afga, kan ik er bijzonder weinig opnoemen die al eens met een pakweg bandwerker gepraat hebben. Nochtans maakt het selecte clubje afgestudeerden pol&soccers, rechten en dergelijke meer maar een 8% van onze werkende bevolking uit. Een kleine nuance dat de meeste van mijn ‘De Morgen lezende kennissen’ meestal over het hoofd zien.
Een eigenschap en meerwaarde die ik altijd de vakbond toegedicht heb. Een massabeweging. Dicht bij de mensen. In staat om veel mensen te bereiken. Te mobiliseren. In te zetten voor de goeie zaak. Maar gebeurt dat altijd en voldoende? Het zijn van die vragen waar we allemaal als het ons werk aangaat allicht wel mee te kampen hebben… soms lijkt het alsof mijn werkgever met twee standaarden werkt, maar meer nog voelt het dat ik zelf met twee maten weeg… en ik raak er niet uit waar ergens in het spectrum ik me bevind… Ik rij zelf meer kilometers met mijn bedrijfswagen dan goed is voor het leefmilieu, ik hou van verre reizen en heb daarmee een voetafdruk die allicht groter is dan mijn schoenmaat… maar tezelfdertijd ben ik blij dat ik een bedrijfsauto heb zodat ik al die kilometers zelf niet moet dokken… hypocriet, ik geef het toe. Ik, die zichzelf een groen profiel aanmeet, ben meer gehecht aan mijn auto dan mijn N-VA-stemmende vriend die wel met de trein naar het werk gaat…
Bayer. Vakbond houdt halsstarrig vast aan 33urenweek. En verworvenheden waar 95% van de Belgische werknemers alleen maar van kunnen dromen. De directie vraagt voor enige toegeeflijkheid en zaken zoals een 36uren week in ruil voor 5 jaar werkzekerheid. De vakbonden lijken dit te weigeren. Ik zie de tv-reportage, ik hoor de getuigenissen. En ik denk: miljaar, wat een indruk maken we hier weer. Hetzelfde maagkrimpende effect als wanneer de treinbonden besluiten een staking te organiseren, overvalt me. Maar kennen wij het hele plaatje, alle feiten, achtergrond? Ik denk sneller in zwart-wit dan de realiteit de kans te geven het juistere, complexe kleurenpalet van ‘grijs’, -als in de waarheid schuilt ergens middenin- weer te geven.
Misschien projecteer ik de ontgoocheling in mezelf op mijn organisatie. Verdoezel ik mijn eigen tekortkomen, mijn eigen wentelen in verworvenheden en vaak inconsequent handelen tegen mijn principes in, door kwaad te zijn op iets of iemand anders. Wit of zwart, iedereen worstelt er wel eens mee. Maar af en toe moeten we ook eens tot op het bot durven gaan. Je zaakjes op een rijtje zetten, daar lijkt december wel een patent op te hebben. Ik zal nog eens een poging wagen, ik heb de komende maanden wel wat tijd... Mezelf eens in de schaal leggen. En kijken waar het wijzertje naar richt. Wegwijzers zoeken in het buitenland leidt vaak ook tot innerlijke (her)oriëntatie. En ook al zijn we dan beiden slecht in kaart lezen. Door samen in hetzelfde schuitje te zitten, varen we altijd op één of andere manier, op koers…
vrijdag 27 november 2009
Het geheim van het konijn - OLVP blues
Als ik het nu niet gemaakt heb...een stukje schrijven voor Infopress...ook wel gekend als het gazetjen van OLVP, een illuster baken van verlichting voor jonge Waaslandse zieltjes.
Het geheim van het konijn
Ze had nogal een dringende vraag. Schreef ze dwingend. Iets over een Infopress, oud-leerlingen en huidige bezigheden. Of ik een stukje kon schrijven. Wel, begon ik in gedachten mijn wel opgebouwd betoog van afwijzing, toen ik verder las “helemaal iets voor jou”. Dat denk ik niet, antwoordde ik haar ferm denkbeeldig, toen ik nog verder een “please”, “tegen overmorgen” en “echt bedankt, hopelijk tot gauw!” ontwaarde. Ze sloot af met een bazig uitroepteken waar niets meer tegenin te brengen was. Daar zat ik dan. Een beetje naar mijn scherm te staren.
Mijn gedachten dwalen af. OLVP, man…, dat is al een half leven geleden. Ik zou zowaar dit jaar een prachtexemplaar geweest kunnen zijn voor psychologen die een onderzoek wijden aan 29jarigen die een kleine escapismedwang ontwikkelen uit angst omdat ze 30 worden (help, volwassen zijn, hoe moet dat?). Dat weet ik omdat ik er een boek over gelezen heb, niet uit proefondervindelijk onderzoek voor alle duidelijkheid. Psychologen die zich specialiseren in “dertigersdilemma’s” bestaan. Er bestaan vandaag de dag mensen die zich op een professionele manier bezig houden met mijn crisisjes. Geweldig vind ik dat. Al hoeft het niet te verbazen. Iedereen kampt vandaag de dag met een crisis.
Is het niet de midlife (wacht maar tot je ma een minnaar neemt), dan is er de quarterlife (je broer die na zijn studies plots oerang oetangs en bij uitstek zichzelf wil gaan redden in Borneo). Zijn het niet de 18jarigen die radeloos zijn omdat ze niet weten wat ze worden willen, dan flippen de bomma’s wel (met hun niet aflatende vragen over wanneer er nu eindelijk eens kleinkinderen gaan komen). Qua carrièremove zou ik het nu dus wel weten. Psycholoog. Altijd werk aan de winkel…
Iedereen flipt. En dat was toen, 15 jaar geleden, tijdens mijn OLVP-jaren niet anders. Waren het niet de leerlingen die flipten omdat enkele leerkrachten hun ‘weird-gehalte’ alle records sloeg, dan waren het de leerkrachten wel die door het lint gingen bij zoveel onbegrip en nonchalantie van ons, leerlingen. En als leerlingen en leerkrachten het eens rustig hielden, sloeg de directeur wel even de bal mis met een voorstel van schooluitstap waar wij allen als door god geslagen op reageerden (lees: het aanbod gewoon dood negeerden).
Maar dat is dus allemaal al een half leven geleden dus. En toch lijkt het soms nog als gisteren. Als ik aan de telefoon hang met mijn ‘LMT-’vriendinnen. Als ik dingen op het nieuws hoor die me toen iemand voor het eerst probeerde uit te leggen (moeilijke woorden die je dan toch niet onthoudt). Maar meestal gewoon, bij dagdagelijkse of kleine, onverwachte dingen. Zoals een mailtje van een ex-leerkracht dat je eigenlijk ook wel glimlachen doet…
Naar het schijnt worden mensen een beetje melancholisch als ze terugblikken op het verleden. En draaien (als in: verfraaien) ze de realiteit wat naar hun hand. Ik zou gerust enkele A4tjes kunnen vullen over onredelijke leerkrachten, saaie leerstof of belachelijke regels. Maar nu ik in enkele lijntjes zou moeten weergeven welke geweldige OLVP-herinneringen spontaan bij me opkomen, geraak ik er niet uit welke te vertellen. Maar het komt wel telkens op hetzelfde neer. De mensjes daar. Vriendinnen, leerkrachten. Soms een meute flipkonijnen bij elkaar -wij hadden toen die gezonde dosis testosteron in de vorm van mannelijke klasgenoten die een zalvende werking kunnen hebben op die overvloed van vrouwelijke kuren, nog niet- maar dat maakte het net zo bijzonder. Wij tegen de rest van de wereld. Bakvissen, dramaqueens, wollebozen, newwavers, marina’s. You name it, we hadden het daar. Met als gemene deler onze OLVP-band. Dat zorgde voor goeie chemie. Wat vuurwerk en halve oorlogen soms. Maar ook veel gelach en vriendschappen die vele jaren later nog altijd stormen, overvolle agenda’s en lange afstanden moeiteloos doorstaan… Daar schuilt em het geheim. Het geheim van het konijn.
Ik wil maar zeggen, de OLVP, die microcosmos, was, is, en zal altijd een biotoop voor flipkonijnen zijn. Maar laat dat nu net onze sterkte zijn. Het ras der OLVP-flipkonijnen. Wij doen het bijlange zo slecht nog niet, die oud OLVP-konijnen. Dat zal je vanaf nu kunnen lezen in dit gloednieuwe Infopress-rubriekje.
Oh ja, er is leven na de OLVP. En wat voor één! Dat leven is boeiend, uitdagend, angstaanjagend, heerlijk vol met mogelijkheden en tegenstrijdigheden, en hier en daar een stevige portie ontgoochelingen en frustraties. Eigenlijk, feitelijk, een beetje als het leven in de OLVP. Het is maar kwestie wat je er zelf van maakt. Verspil dus vooral geen tijd met zitten verlangen naar een leven ná OLVP. The time is now! Ontdek, beleef, flip, en bovenal: geniet ervan!
Het geheim van het konijn
Ze had nogal een dringende vraag. Schreef ze dwingend. Iets over een Infopress, oud-leerlingen en huidige bezigheden. Of ik een stukje kon schrijven. Wel, begon ik in gedachten mijn wel opgebouwd betoog van afwijzing, toen ik verder las “helemaal iets voor jou”. Dat denk ik niet, antwoordde ik haar ferm denkbeeldig, toen ik nog verder een “please”, “tegen overmorgen” en “echt bedankt, hopelijk tot gauw!” ontwaarde. Ze sloot af met een bazig uitroepteken waar niets meer tegenin te brengen was. Daar zat ik dan. Een beetje naar mijn scherm te staren.
Mijn gedachten dwalen af. OLVP, man…, dat is al een half leven geleden. Ik zou zowaar dit jaar een prachtexemplaar geweest kunnen zijn voor psychologen die een onderzoek wijden aan 29jarigen die een kleine escapismedwang ontwikkelen uit angst omdat ze 30 worden (help, volwassen zijn, hoe moet dat?). Dat weet ik omdat ik er een boek over gelezen heb, niet uit proefondervindelijk onderzoek voor alle duidelijkheid. Psychologen die zich specialiseren in “dertigersdilemma’s” bestaan. Er bestaan vandaag de dag mensen die zich op een professionele manier bezig houden met mijn crisisjes. Geweldig vind ik dat. Al hoeft het niet te verbazen. Iedereen kampt vandaag de dag met een crisis.
Is het niet de midlife (wacht maar tot je ma een minnaar neemt), dan is er de quarterlife (je broer die na zijn studies plots oerang oetangs en bij uitstek zichzelf wil gaan redden in Borneo). Zijn het niet de 18jarigen die radeloos zijn omdat ze niet weten wat ze worden willen, dan flippen de bomma’s wel (met hun niet aflatende vragen over wanneer er nu eindelijk eens kleinkinderen gaan komen). Qua carrièremove zou ik het nu dus wel weten. Psycholoog. Altijd werk aan de winkel…
Iedereen flipt. En dat was toen, 15 jaar geleden, tijdens mijn OLVP-jaren niet anders. Waren het niet de leerlingen die flipten omdat enkele leerkrachten hun ‘weird-gehalte’ alle records sloeg, dan waren het de leerkrachten wel die door het lint gingen bij zoveel onbegrip en nonchalantie van ons, leerlingen. En als leerlingen en leerkrachten het eens rustig hielden, sloeg de directeur wel even de bal mis met een voorstel van schooluitstap waar wij allen als door god geslagen op reageerden (lees: het aanbod gewoon dood negeerden).
Maar dat is dus allemaal al een half leven geleden dus. En toch lijkt het soms nog als gisteren. Als ik aan de telefoon hang met mijn ‘LMT-’vriendinnen. Als ik dingen op het nieuws hoor die me toen iemand voor het eerst probeerde uit te leggen (moeilijke woorden die je dan toch niet onthoudt). Maar meestal gewoon, bij dagdagelijkse of kleine, onverwachte dingen. Zoals een mailtje van een ex-leerkracht dat je eigenlijk ook wel glimlachen doet…
Naar het schijnt worden mensen een beetje melancholisch als ze terugblikken op het verleden. En draaien (als in: verfraaien) ze de realiteit wat naar hun hand. Ik zou gerust enkele A4tjes kunnen vullen over onredelijke leerkrachten, saaie leerstof of belachelijke regels. Maar nu ik in enkele lijntjes zou moeten weergeven welke geweldige OLVP-herinneringen spontaan bij me opkomen, geraak ik er niet uit welke te vertellen. Maar het komt wel telkens op hetzelfde neer. De mensjes daar. Vriendinnen, leerkrachten. Soms een meute flipkonijnen bij elkaar -wij hadden toen die gezonde dosis testosteron in de vorm van mannelijke klasgenoten die een zalvende werking kunnen hebben op die overvloed van vrouwelijke kuren, nog niet- maar dat maakte het net zo bijzonder. Wij tegen de rest van de wereld. Bakvissen, dramaqueens, wollebozen, newwavers, marina’s. You name it, we hadden het daar. Met als gemene deler onze OLVP-band. Dat zorgde voor goeie chemie. Wat vuurwerk en halve oorlogen soms. Maar ook veel gelach en vriendschappen die vele jaren later nog altijd stormen, overvolle agenda’s en lange afstanden moeiteloos doorstaan… Daar schuilt em het geheim. Het geheim van het konijn.
Ik wil maar zeggen, de OLVP, die microcosmos, was, is, en zal altijd een biotoop voor flipkonijnen zijn. Maar laat dat nu net onze sterkte zijn. Het ras der OLVP-flipkonijnen. Wij doen het bijlange zo slecht nog niet, die oud OLVP-konijnen. Dat zal je vanaf nu kunnen lezen in dit gloednieuwe Infopress-rubriekje.
Oh ja, er is leven na de OLVP. En wat voor één! Dat leven is boeiend, uitdagend, angstaanjagend, heerlijk vol met mogelijkheden en tegenstrijdigheden, en hier en daar een stevige portie ontgoochelingen en frustraties. Eigenlijk, feitelijk, een beetje als het leven in de OLVP. Het is maar kwestie wat je er zelf van maakt. Verspil dus vooral geen tijd met zitten verlangen naar een leven ná OLVP. The time is now! Ontdek, beleef, flip, en bovenal: geniet ervan!
Thir(s)ty something
Uit de oude doos
Zo gaat dat met facebook. Krijg je plots een stukje verleden -friendrequestgewijs- in je mailbox.
En dus werd ik deze week weer vriendjes met een zotte doos uit Argentinië met wie ik ooit een nog zottere vakantie doorbracht in Feldkirch, Oostenrijk. Op een geïmproviseerde Erasmus-reunie. En dus ging ik nog eens graaien in de doos melancholie die fotoschoendozen ontegensprekelijk zijn. En herinnerde ik me op die manier dat ik een verhaaltje geschreven had over één van onze belevenissen daar.
Samen Beleven. Toch wel de mooiste vorm van zijn.
En omdat Jak en ik binnenkort weer voluit samen op pad gaan, en verhaaltjes een leuke manier zijn om belevenissen te delen, heb ik besloten deze grensstampersblog vanonder het stof te halen.
Verhaaltje uit de oude doos:
Jacky, het ijslam.
Het moet ondertussen een jaar of vijf geleden zijn. Al kunnen het er ook meer zijn. Hoe gaat dat met herinneringen. Nochtans zit het beeld nog haarscherp op m’n netvlies. Je ziet niet elke dag een lam floepen uit een schaap. Op 25 december. In een Oostenrijks bergdorp.
Maar even rewind.
Om een acute doch hardnekkige winterblues te doorbreken, besloot ik het grijze België even te ontvluchten en stapte ik de trein op, om er na een dag reizen uit te stappen in Feldkirch. Een al even ingedommeld dorp als de meeste Vlaamse van die omvang, maar met dat voordeel dat er een bende buitenlanders waren neergestreken die als enige gemeenschappelijk kenmerken een gedeeld Erasmus-verleden en een voorliefde voor Spaanse wijn hadden. Op zich is dat al voldoende om een blijvende vorm van gedeeld escapisme te cultiveren. Bij ingeving van de gastvrouw des huizes was er een een mailtje verstuurd en wonderwel verzamelden een week later 13 mid-twintigers van evenveel nationaliteiten in een slapend Oostenrijks dorp.
Het overmatig alcoholverbruik, noopte me al gauw om ’s ochtends een stevige wandeling op te zetten, omdat ik vreesde dat de nevel zich anders definitief in m’n kop zou vastvriezen. En zo had ik al gauw een mooi parcourtje langs enkele Tirolerhuisjes waarvan af en toe een vage ‘Gruss Got’ weerklonk, tot ik al snel enkel nog grote witte besneeuwde velden langs me had. En zo had ik ze al meteen bij de eerste wandeltocht opgemerkt: een hoopje schapen die miezerig bij elkaar gepakt wat voor zich uit staarden. Ik besteedde er niet zoveel aandacht aan, schapen zijn nu ook niet meteen de meest entertainende beesten. Op dag twee stonden ze vlakbij het wandelpad en bleef ik een beetje terugstaren naar die beesten, die hun verblijf in het Oostenrijks dorp belange niet zo aangenaam als ik leken te vinden. Daar zat het comparatieve voordeel van die Spaanse wijn allicht wel voor iets tussen.
Bij thuiskomst informeerde ik in het gezelschap naar de habitat van schapen. Horen schapen wel buiten te staan in putje winter? Is het kwaadaardig van die boer om zelfs geen stal te voorzien? Maar mijn collega-wereldburgers vonden m’n schaaphabitat-vragen allerminst interessant en bij nader inzien, vond ik dat ook.
Mijn wandelparcours was intussen een anti-kater-ritueel geworden, waarvan schaapstaren een vast onderdeel was geworden. En zo gebeurde het. De schapen stonden verspreid opgesteld, zodat ik het eerst niet opgemerkt had. Maar het moment dat je een stel poten uit een schaap ziet steken, knipper je eerst toch even met je ogen, om vervolgens in een “oh my god”mantra verzeild te raken. Niet veel erna belandde vooral veel slijm en viezigheid met een kwakje in de sneeuw. “Is dat een lam?” “Ben ik hier zomaar net even getuige geweest van de geboorte van een lam?” “Op Kerstdag?” “God heeft wel gevoel voor humor”, bedacht ik nog.
Het lange stilstaan had me ondertussen al zodanig verkleumd dat ik nog amper kon bewegen. En dat net geboren lammetje lag daar gewoon in de sneeuw zonder enige beschutting. Geen stal, geen hooi, geen boer te bespeuren. “Hallo, hoort hier geen boer met een ‘is het niet vader-, dan toch een verantwoordelijkheidsgevoel’ te zijn?”
Dat lam heeft in plaats van een pels een kwab slijm op zich hangen, dat weldra ervoor gaat zorgen dat het een ijslam wordt, zoals ze er in België nog nooit op een plechtige communie-ijstaart hebben weten te fabriceren. “Ik-moet-iets-doen,niet?”, bleef ik mezelf afvragen en raakte verlamd van twijfel tussen “de natuur moet je toch zijn gang laten gaan?” en “ik ben een hartloos monster als ik hier nu gewoon afdruip”.
Ik was de enige mens in een kring van pakweg 10 km en dit opgedrongen verantwoordelijkheidsgevoel zinde me allerminst. Ik was 25 en opstandig tegen de responsabiliseringsmantra die pas afgestudeerden voortdurend over zich heen krijgen.
“Ik ben allergisch aan driekwart van alle bestaande fauna, en het feit dat ik in een ijspegel veranderd ben, bevordert mijn humeur niet. En mijn heldhaftigheid nog minder”, zei ik half luidop tegen die andere schapen. Maar die bleven onverstoord doorstaren. Schaapachtig.
En toen smolt ik. Van schaapachtige blikken word ik weemoedig. En bijzonder soft. Dus repte ik me in zeven haasten terug naar het dorp en belde bij het eerste Tirolerhuis aan. “Kennen sie die landbauer van die schafen dort?” Dat mens staarde me aan en twijfelde allicht tussen de politie bellen of een tolk Chinees, maar ik had geen tijd te verliezen. Ik rende de ziel uit m’n lijf, zodat ik eens aangekomen bij m’n vrienden niet wist of ik eerst moest kotsen dan wel een zuurstofmasker vragen, maar feit was dat ik meteen alle aandacht had. En omdat een Braziliaan, een Argentijnse en een Chinese die in Leuven woont, niet elke dag een pasgeboren lam op kerstdag in de sneeuw kunnen aanschouwen, verliet uiteindelijk iedereen de wijnbunker om het lam te gaan redden. Plan A: boer van schapen zoeken en aanmanen lam over te brengen naar stal. Plan B: zelf hooi verzamelen en improvisatie-stal fabriceren in de wei.
De voorbereidingen van beide plannen namen enigszins wat tijd in beslag. In een besneeuwd slaapdorp is het nu niet zo dat je om de hoek ergens toevallig een bundel stro vindt. En niemand van de buren bleek konijnen te houden. Noch cavia’s. De boeren in Oostenrijk nemen bovendien hun telefoon niet op.
En dus bleef er niets anders over dan met enkele doorzetters opnieuw naar het lam te gaan.
Het lammetje staarde ons doodgevroren aan. We waren te laat. Ik had gefaald. Ik was de enige getuige van de geboorte van dit diertje, dat in moeilijkheden zat, en ik had het dood laten gaan. Op dat moment brak ook m’n “ik ben 25 en ontzettend klaar voor deze wereld”-pantser. M’n vrienden waren nog minder dan op de dood van het lam, op de emotionele uitbarsting van mij die daarop volgde, voorbereid.
Allicht in een poging om me af te leiden, maar ook wel vanuit haar katholieke roots, stelde de Argentijnse voor een plechtigheid te houden. Omdat het Kerstmis was, en een mens dan open staat voor rituelen van hogere orde, stemde ik toe.
Begraven was gezien de bevroren ondergrond geen optie. Dus sprak de Argentijnse met een theatraliteit en een Engels zoals alleen zij dat kan: “We will make with the snow a big bear. So in the next life, the lamb will be a bear, and strong and will always be warm because of the bearjacket. That’s why we call the lamb ‘Jacky’. From jacket. From the jacket of the bear.
And we will always remember, because we are here together, that we too, sometimes when we feel like lambs, or we feel cold or alone, than we have to remember Jacky. And than we know that we are strong and warm bears too. Because we are the Jacky Friends.”
Sindsdien mijd ik ijstaarten op communiefeesten.
Maar mompel ik geregeld eens ‘Jacky’. Als de beernood hoog is.
En dus werd ik deze week weer vriendjes met een zotte doos uit Argentinië met wie ik ooit een nog zottere vakantie doorbracht in Feldkirch, Oostenrijk. Op een geïmproviseerde Erasmus-reunie. En dus ging ik nog eens graaien in de doos melancholie die fotoschoendozen ontegensprekelijk zijn. En herinnerde ik me op die manier dat ik een verhaaltje geschreven had over één van onze belevenissen daar.
Samen Beleven. Toch wel de mooiste vorm van zijn.
En omdat Jak en ik binnenkort weer voluit samen op pad gaan, en verhaaltjes een leuke manier zijn om belevenissen te delen, heb ik besloten deze grensstampersblog vanonder het stof te halen.
Verhaaltje uit de oude doos:
Jacky, het ijslam.
Het moet ondertussen een jaar of vijf geleden zijn. Al kunnen het er ook meer zijn. Hoe gaat dat met herinneringen. Nochtans zit het beeld nog haarscherp op m’n netvlies. Je ziet niet elke dag een lam floepen uit een schaap. Op 25 december. In een Oostenrijks bergdorp.
Maar even rewind.
Om een acute doch hardnekkige winterblues te doorbreken, besloot ik het grijze België even te ontvluchten en stapte ik de trein op, om er na een dag reizen uit te stappen in Feldkirch. Een al even ingedommeld dorp als de meeste Vlaamse van die omvang, maar met dat voordeel dat er een bende buitenlanders waren neergestreken die als enige gemeenschappelijk kenmerken een gedeeld Erasmus-verleden en een voorliefde voor Spaanse wijn hadden. Op zich is dat al voldoende om een blijvende vorm van gedeeld escapisme te cultiveren. Bij ingeving van de gastvrouw des huizes was er een een mailtje verstuurd en wonderwel verzamelden een week later 13 mid-twintigers van evenveel nationaliteiten in een slapend Oostenrijks dorp.
Het overmatig alcoholverbruik, noopte me al gauw om ’s ochtends een stevige wandeling op te zetten, omdat ik vreesde dat de nevel zich anders definitief in m’n kop zou vastvriezen. En zo had ik al gauw een mooi parcourtje langs enkele Tirolerhuisjes waarvan af en toe een vage ‘Gruss Got’ weerklonk, tot ik al snel enkel nog grote witte besneeuwde velden langs me had. En zo had ik ze al meteen bij de eerste wandeltocht opgemerkt: een hoopje schapen die miezerig bij elkaar gepakt wat voor zich uit staarden. Ik besteedde er niet zoveel aandacht aan, schapen zijn nu ook niet meteen de meest entertainende beesten. Op dag twee stonden ze vlakbij het wandelpad en bleef ik een beetje terugstaren naar die beesten, die hun verblijf in het Oostenrijks dorp belange niet zo aangenaam als ik leken te vinden. Daar zat het comparatieve voordeel van die Spaanse wijn allicht wel voor iets tussen.
Bij thuiskomst informeerde ik in het gezelschap naar de habitat van schapen. Horen schapen wel buiten te staan in putje winter? Is het kwaadaardig van die boer om zelfs geen stal te voorzien? Maar mijn collega-wereldburgers vonden m’n schaaphabitat-vragen allerminst interessant en bij nader inzien, vond ik dat ook.
Mijn wandelparcours was intussen een anti-kater-ritueel geworden, waarvan schaapstaren een vast onderdeel was geworden. En zo gebeurde het. De schapen stonden verspreid opgesteld, zodat ik het eerst niet opgemerkt had. Maar het moment dat je een stel poten uit een schaap ziet steken, knipper je eerst toch even met je ogen, om vervolgens in een “oh my god”mantra verzeild te raken. Niet veel erna belandde vooral veel slijm en viezigheid met een kwakje in de sneeuw. “Is dat een lam?” “Ben ik hier zomaar net even getuige geweest van de geboorte van een lam?” “Op Kerstdag?” “God heeft wel gevoel voor humor”, bedacht ik nog.
Het lange stilstaan had me ondertussen al zodanig verkleumd dat ik nog amper kon bewegen. En dat net geboren lammetje lag daar gewoon in de sneeuw zonder enige beschutting. Geen stal, geen hooi, geen boer te bespeuren. “Hallo, hoort hier geen boer met een ‘is het niet vader-, dan toch een verantwoordelijkheidsgevoel’ te zijn?”
Dat lam heeft in plaats van een pels een kwab slijm op zich hangen, dat weldra ervoor gaat zorgen dat het een ijslam wordt, zoals ze er in België nog nooit op een plechtige communie-ijstaart hebben weten te fabriceren. “Ik-moet-iets-doen,niet?”, bleef ik mezelf afvragen en raakte verlamd van twijfel tussen “de natuur moet je toch zijn gang laten gaan?” en “ik ben een hartloos monster als ik hier nu gewoon afdruip”.
Ik was de enige mens in een kring van pakweg 10 km en dit opgedrongen verantwoordelijkheidsgevoel zinde me allerminst. Ik was 25 en opstandig tegen de responsabiliseringsmantra die pas afgestudeerden voortdurend over zich heen krijgen.
“Ik ben allergisch aan driekwart van alle bestaande fauna, en het feit dat ik in een ijspegel veranderd ben, bevordert mijn humeur niet. En mijn heldhaftigheid nog minder”, zei ik half luidop tegen die andere schapen. Maar die bleven onverstoord doorstaren. Schaapachtig.
En toen smolt ik. Van schaapachtige blikken word ik weemoedig. En bijzonder soft. Dus repte ik me in zeven haasten terug naar het dorp en belde bij het eerste Tirolerhuis aan. “Kennen sie die landbauer van die schafen dort?” Dat mens staarde me aan en twijfelde allicht tussen de politie bellen of een tolk Chinees, maar ik had geen tijd te verliezen. Ik rende de ziel uit m’n lijf, zodat ik eens aangekomen bij m’n vrienden niet wist of ik eerst moest kotsen dan wel een zuurstofmasker vragen, maar feit was dat ik meteen alle aandacht had. En omdat een Braziliaan, een Argentijnse en een Chinese die in Leuven woont, niet elke dag een pasgeboren lam op kerstdag in de sneeuw kunnen aanschouwen, verliet uiteindelijk iedereen de wijnbunker om het lam te gaan redden. Plan A: boer van schapen zoeken en aanmanen lam over te brengen naar stal. Plan B: zelf hooi verzamelen en improvisatie-stal fabriceren in de wei.
De voorbereidingen van beide plannen namen enigszins wat tijd in beslag. In een besneeuwd slaapdorp is het nu niet zo dat je om de hoek ergens toevallig een bundel stro vindt. En niemand van de buren bleek konijnen te houden. Noch cavia’s. De boeren in Oostenrijk nemen bovendien hun telefoon niet op.
En dus bleef er niets anders over dan met enkele doorzetters opnieuw naar het lam te gaan.
Het lammetje staarde ons doodgevroren aan. We waren te laat. Ik had gefaald. Ik was de enige getuige van de geboorte van dit diertje, dat in moeilijkheden zat, en ik had het dood laten gaan. Op dat moment brak ook m’n “ik ben 25 en ontzettend klaar voor deze wereld”-pantser. M’n vrienden waren nog minder dan op de dood van het lam, op de emotionele uitbarsting van mij die daarop volgde, voorbereid.
Allicht in een poging om me af te leiden, maar ook wel vanuit haar katholieke roots, stelde de Argentijnse voor een plechtigheid te houden. Omdat het Kerstmis was, en een mens dan open staat voor rituelen van hogere orde, stemde ik toe.
Begraven was gezien de bevroren ondergrond geen optie. Dus sprak de Argentijnse met een theatraliteit en een Engels zoals alleen zij dat kan: “We will make with the snow a big bear. So in the next life, the lamb will be a bear, and strong and will always be warm because of the bearjacket. That’s why we call the lamb ‘Jacky’. From jacket. From the jacket of the bear.
And we will always remember, because we are here together, that we too, sometimes when we feel like lambs, or we feel cold or alone, than we have to remember Jacky. And than we know that we are strong and warm bears too. Because we are the Jacky Friends.”
Sindsdien mijd ik ijstaarten op communiefeesten.
Maar mompel ik geregeld eens ‘Jacky’. Als de beernood hoog is.
Abonneren op:
Posts (Atom)