vrijdag 27 november 2009

Uit de oude doos

Zo gaat dat met facebook. Krijg je plots een stukje verleden -friendrequestgewijs- in je mailbox.
En dus werd ik deze week weer vriendjes met een zotte doos uit Argentinië met wie ik ooit een nog zottere vakantie doorbracht in Feldkirch, Oostenrijk. Op een geïmproviseerde Erasmus-reunie. En dus ging ik nog eens graaien in de doos melancholie die fotoschoendozen ontegensprekelijk zijn. En herinnerde ik me op die manier dat ik een verhaaltje geschreven had over één van onze belevenissen daar.
Samen Beleven. Toch wel de mooiste vorm van zijn.
En omdat Jak en ik binnenkort weer voluit samen op pad gaan, en verhaaltjes een leuke manier zijn om belevenissen te delen, heb ik besloten deze grensstampersblog vanonder het stof te halen.

Verhaaltje uit de oude doos:

Jacky, het ijslam.

Het moet ondertussen een jaar of vijf geleden zijn. Al kunnen het er ook meer zijn. Hoe gaat dat met herinneringen. Nochtans zit het beeld nog haarscherp op m’n netvlies. Je ziet niet elke dag een lam floepen uit een schaap. Op 25 december. In een Oostenrijks bergdorp.
Maar even rewind.

Om een acute doch hardnekkige winterblues te doorbreken, besloot ik het grijze België even te ontvluchten en stapte ik de trein op, om er na een dag reizen uit te stappen in Feldkirch. Een al even ingedommeld dorp als de meeste Vlaamse van die omvang, maar met dat voordeel dat er een bende buitenlanders waren neergestreken die als enige gemeenschappelijk kenmerken een gedeeld Erasmus-verleden en een voorliefde voor Spaanse wijn hadden. Op zich is dat al voldoende om een blijvende vorm van gedeeld escapisme te cultiveren. Bij ingeving van de gastvrouw des huizes was er een een mailtje verstuurd en wonderwel verzamelden een week later 13 mid-twintigers van evenveel nationaliteiten in een slapend Oostenrijks dorp.

Het overmatig alcoholverbruik, noopte me al gauw om ’s ochtends een stevige wandeling op te zetten, omdat ik vreesde dat de nevel zich anders definitief in m’n kop zou vastvriezen. En zo had ik al gauw een mooi parcourtje langs enkele Tirolerhuisjes waarvan af en toe een vage ‘Gruss Got’ weerklonk, tot ik al snel enkel nog grote witte besneeuwde velden langs me had. En zo had ik ze al meteen bij de eerste wandeltocht opgemerkt: een hoopje schapen die miezerig bij elkaar gepakt wat voor zich uit staarden. Ik besteedde er niet zoveel aandacht aan, schapen zijn nu ook niet meteen de meest entertainende beesten. Op dag twee stonden ze vlakbij het wandelpad en bleef ik een beetje terugstaren naar die beesten, die hun verblijf in het Oostenrijks dorp belange niet zo aangenaam als ik leken te vinden. Daar zat het comparatieve voordeel van die Spaanse wijn allicht wel voor iets tussen.
Bij thuiskomst informeerde ik in het gezelschap naar de habitat van schapen. Horen schapen wel buiten te staan in putje winter? Is het kwaadaardig van die boer om zelfs geen stal te voorzien? Maar mijn collega-wereldburgers vonden m’n schaaphabitat-vragen allerminst interessant en bij nader inzien, vond ik dat ook.

Mijn wandelparcours was intussen een anti-kater-ritueel geworden, waarvan schaapstaren een vast onderdeel was geworden. En zo gebeurde het. De schapen stonden verspreid opgesteld, zodat ik het eerst niet opgemerkt had. Maar het moment dat je een stel poten uit een schaap ziet steken, knipper je eerst toch even met je ogen, om vervolgens in een “oh my god”mantra verzeild te raken. Niet veel erna belandde vooral veel slijm en viezigheid met een kwakje in de sneeuw. “Is dat een lam?” “Ben ik hier zomaar net even getuige geweest van de geboorte van een lam?” “Op Kerstdag?” “God heeft wel gevoel voor humor”, bedacht ik nog.

Het lange stilstaan had me ondertussen al zodanig verkleumd dat ik nog amper kon bewegen. En dat net geboren lammetje lag daar gewoon in de sneeuw zonder enige beschutting. Geen stal, geen hooi, geen boer te bespeuren. “Hallo, hoort hier geen boer met een ‘is het niet vader-, dan toch een verantwoordelijkheidsgevoel’ te zijn?”
Dat lam heeft in plaats van een pels een kwab slijm op zich hangen, dat weldra ervoor gaat zorgen dat het een ijslam wordt, zoals ze er in België nog nooit op een plechtige communie-ijstaart hebben weten te fabriceren. “Ik-moet-iets-doen,niet?”, bleef ik mezelf afvragen en raakte verlamd van twijfel tussen “de natuur moet je toch zijn gang laten gaan?” en “ik ben een hartloos monster als ik hier nu gewoon afdruip”.
Ik was de enige mens in een kring van pakweg 10 km en dit opgedrongen verantwoordelijkheidsgevoel zinde me allerminst. Ik was 25 en opstandig tegen de responsabiliseringsmantra die pas afgestudeerden voortdurend over zich heen krijgen.

“Ik ben allergisch aan driekwart van alle bestaande fauna, en het feit dat ik in een ijspegel veranderd ben, bevordert mijn humeur niet. En mijn heldhaftigheid nog minder”, zei ik half luidop tegen die andere schapen. Maar die bleven onverstoord doorstaren. Schaapachtig.
En toen smolt ik. Van schaapachtige blikken word ik weemoedig. En bijzonder soft. Dus repte ik me in zeven haasten terug naar het dorp en belde bij het eerste Tirolerhuis aan. “Kennen sie die landbauer van die schafen dort?” Dat mens staarde me aan en twijfelde allicht tussen de politie bellen of een tolk Chinees, maar ik had geen tijd te verliezen. Ik rende de ziel uit m’n lijf, zodat ik eens aangekomen bij m’n vrienden niet wist of ik eerst moest kotsen dan wel een zuurstofmasker vragen, maar feit was dat ik meteen alle aandacht had. En omdat een Braziliaan, een Argentijnse en een Chinese die in Leuven woont, niet elke dag een pasgeboren lam op kerstdag in de sneeuw kunnen aanschouwen, verliet uiteindelijk iedereen de wijnbunker om het lam te gaan redden. Plan A: boer van schapen zoeken en aanmanen lam over te brengen naar stal. Plan B: zelf hooi verzamelen en improvisatie-stal fabriceren in de wei.
De voorbereidingen van beide plannen namen enigszins wat tijd in beslag. In een besneeuwd slaapdorp is het nu niet zo dat je om de hoek ergens toevallig een bundel stro vindt. En niemand van de buren bleek konijnen te houden. Noch cavia’s. De boeren in Oostenrijk nemen bovendien hun telefoon niet op.
En dus bleef er niets anders over dan met enkele doorzetters opnieuw naar het lam te gaan.

Het lammetje staarde ons doodgevroren aan. We waren te laat. Ik had gefaald. Ik was de enige getuige van de geboorte van dit diertje, dat in moeilijkheden zat, en ik had het dood laten gaan. Op dat moment brak ook m’n “ik ben 25 en ontzettend klaar voor deze wereld”-pantser. M’n vrienden waren nog minder dan op de dood van het lam, op de emotionele uitbarsting van mij die daarop volgde, voorbereid.
Allicht in een poging om me af te leiden, maar ook wel vanuit haar katholieke roots, stelde de Argentijnse voor een plechtigheid te houden. Omdat het Kerstmis was, en een mens dan open staat voor rituelen van hogere orde, stemde ik toe.
Begraven was gezien de bevroren ondergrond geen optie. Dus sprak de Argentijnse met een theatraliteit en een Engels zoals alleen zij dat kan: “We will make with the snow a big bear. So in the next life, the lamb will be a bear, and strong and will always be warm because of the bearjacket. That’s why we call the lamb ‘Jacky’. From jacket. From the jacket of the bear.
And we will always remember, because we are here together, that we too, sometimes when we feel like lambs, or we feel cold or alone, than we have to remember Jacky. And than we know that we are strong and warm bears too. Because we are the Jacky Friends.”

Sindsdien mijd ik ijstaarten op communiefeesten.
Maar mompel ik geregeld eens ‘Jacky’. Als de beernood hoog is.

Geen opmerkingen: